Vaarwel en tot weerziens

In het afgelopen decennium zijn in Nederland veel kranten gedigitaliseerd en op het internet verschenen. Naast de krantensite van de Koninklijke Bibliotheek hebben diverse regionale archiefinstellingen kranten op hun website geplaatst. Hoewel de zoekmogelijkheden en het gebruiksgemak sterk uiteenlopen, bieden deze websites de gelegenheid om in te zoomen op het vertrek van emigranten naar de Fazenda Ribeirão. Eén van de kranten die veel informatie bevat is het Venrayse weekblad Peel en Maas. Behalve algemene berichten die zijn overgenomen uit landelijke dag- en weekbladen komen we in het blad berichten tegen over het vertrek van emigranten.

P&M 1949-02-26In de editie van 26 februari 1949 werd gemeld dat Theo van Ass uit IJsselstein vanwege zijn vertrek naar Brazilië zijn pacht van zijn 22 hectare grote bedrijf ging opzeggen. In dezelfde krant bood hij ook vee en machines te koop aan. Enkele maanden later plaatste hij samen met Harrie Lamers een advertentie waarin zij hun familie, vrienden en kennissen een hartelijk vaarwel en weerziens toewensten.

P&M 1949-07-30
Peel en Maas, 30 juli 1949
P&M 1950-02-11
Peel en Maas, 11 februari 1950

Een jaar na Van Ass bood Wim Jeuken uit Overloon zijn boerderij in Peel en Maas te koop aan. Een half jaar later wist het blad te melden dat de familie Jeuken met 14 kinderen met de ms. Alioth naar Brazilië ging vertrekken.

Peel en Maas hield de achterblijvers met enige regelmaat op de hoogte van de ontwikkelingen op de Fazenda Riberão. Tegenover de interne moeilijkheden waarmee de jonge nederzetting van 1951 tot en met 1953 stond de krant opvallend neutraal. Zowel zij die het saneringsbeleid op de kolonie van harte ondersteunden, zoals Jan Nabuurs, als critici die de Fazenda verlieten, zoals Theo van Ass, kregen de gelegenheid om visie op de gang van zaken naar voren te brengen. Ook besteedde Peel en Maas aandacht aan het bezoek dat vier opa’s eind 1952 brachten aan hun kinderen in Brazilië. Over dit bezoek later meer.

N.B. Over enkele dagen vertrek ik voor enkele weken naar Brazilië. Wil je op de hoogte blijven kijk dan op mijn weblog en mijn fotosite.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.

 

“Wij zullen slagen”

Op vrijdag 4 maart 1949 werd op het boerencentrum ‘Ons Erf’ van de KNBTB afscheid genomen van emigranten die op het punt stonden om te vertrekken naar Brazilië en Canada. Hoofdgast op de bijeenkomst was kardinaal Johannes de Jong, die bij die gelegenheid aan hen missiekruizen uitreikte. ‘Emigreer onder Gods zegen voor Kruis en Ploeg’ stond op de achterzijde van deze kruizen geschreven. ‘Een staal van onze beste mensen, die ’n prachtig boerenideaal aan een vlammend missieideaal paren, maakte op De Steeg ’n onvergetelijke dag mee,’aldus het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder van 12 maart 1949.

Toespraak van de kardinaal
In zijn toespraak stond mgr. De Jong allereerst stil bij het waarom van de emigratie. ‘Iedere tijd heeft zijn eigen problemen. Enige jaren vóór de oorlog heerste er een verschrikkelijke werkloosheid bij de jonge werkman, en hier in De Steeg werd het eerste jeugdwerklozenkamp gesticht om deze nood te lenigen.
Kardinaal de Jong                Thans na de oorlog doet zich in ons land een soortgelijke moeilijkheid voor bij jonge boeren en tuinders, die weliswaar nog wel werk hebben, maar zo uiterst moeilijk kunnen komen tot datgene waarvoor zij zich jaren lang bekwaamd hebben en waarnaar zij steeds weer zijn gaan verlangen: een gezin te stichten op eigen erf. Voor zover menselijke berekening van de toekomst mogelijk is, is het te verwachten dat dit probleem nog jaren lang zal blijven bestaan. Zodoende dat ook gevestigde boeren en tuinders met vooruitziende blik zich bezorgd maken over de toekomstmogelijkheden van hun kinderen. De overgang naar de industrie en andere beroepen is een der oplossingen van dit vraagstuk. Behalve dat dit echter voor sommige jonge boeren bijna onoverkomelijke moeilijkheden oplevert, is het een grote vraag of deze beroepen en industrieën zich in de toekomst zo sterk kunnen blijven uitbreiden, dat ze voor een plaats kunnen blijven bieden.

In het koetshuis van Rhederoord was van 1948 t/m 1951 de Volkshogeschool ‘Ons Erf’ van de KNBTB gevestigd. Veel aspirant-emigranten werden hier voorbereid op hun vertrek. Foto: Wikimedia

Alle mogelijkheden uitbuiten
Wijs beleid is het ook naar andere mogelijkheden o.a. de agrarisatie uit te zien. Al degenen in Nederland die dit enigszins kunnen, dienen te bevorderen dat door ontginning, inpoldering, juiste indeling en verdeling der gewonnen gronden de mogelijkheden die er liggen voor onze jonge boeren en tuinders binnen de grenzen van ons vaderland ook werkelijk worden uitgebuit. Een exploitatie van onze Nederlandse bodem die niet voldoende rekening houden met dit sociale probleem, zou te kort schieten t.a.v. de eisen die de sociale rechtvaardigheid en liefde stellen.
                De oplossing door emigratie is een feit geworden waarvan de realiteit het best tot ons doordringt, wanneer we ons bevinden te midden van een groep durvende mensen die hun vaderland vaarwel zeggen om voor een kroostrijk nageslacht tot in lengte van jaren ruimte te vinden. Ondanks alle moeilijkheden en gevaren aan deze stap verbonden, willen wij toch onze zegen daarover geven, mits de nodige maatregelen worden genomen om de gevaren te ondervangen. Evenals voor de jongens en meisjes uit onze boerenstand die zich als missionaris en missiezuster naar vreemde landen begeven, is ook voor emigranten voorbereiding op allerlei terrein, heel bijzonder ook op godsdienstig gebied, een eerste vereiste. (…)
                Betekent emigratie dan geen ontrouw aan het oude moederland, ons dierbaar Nederland? Neen, geliefde emigranten, ook heengaan kan goed zijn voor de achterblijvers. Daarbij denk ik niet uitsluitend aan het feit dat uw heengaan een bijdrage betekent aan de oplossing van het jonge boerenprobleem. Juist wanneer uw komst in het nieuwe land ook een zegen betekent voor dit land is het mogelijk, dat emigratie gaat uitgroeien tot een beter begrip tussen de volkeren der wereldgemeenschap.’

Wij zullen slagen
Tijdens de emigratiedag op ‘Ons Erf’ richtte kardinaal zich speciaal tot ir. J.G. Heymeijer: ‘Zeer groot respect en bewondering heb ik voor uw initiatief, ir. Heymeijer, en ik waardeer het bijzonder dat U nu zelf op 11 maart vanuit Rotterdam naar de kolonie in Brazilië vertrekt. Ik hoop dat God U, uw familie en de emigranten rijkelijk zal zegenen’.
                Heymeijer antwoordde hierop: ‘Ik dank U eminentie voor deze woorden, die me niet alleen ’n extra steun geven maar nog meer moet om ’t werk in Brazilië aan te pakken. Deze onderneming heeft als basis en krachtbron het gezegende kruis. Om dit kruis te vinden moet de emigrant over ’n kleine Calvarieberg.
Heymeijer en kardinaal                Wij jachten niet naar goud en roem, ons enig doel is de toekomst van onze kinderen niet materieel maar godsdienstig te verzekeren. De fabriek blijft ’n gevaarlijk terrein en wij willen onze kinderen in een geest opvoeden zoals wij zelf opgevoed zijn. Soms is onze vrees voor deze emigratie groter dan nodig. Wij kunnen er niets aan doen dat wij weg moeten, Nederland is te klein en wij worden eruit geperst. Maar wij namen voor deze zo belangrijke stap de uiterste voorzorgen en is ’t dan niet doodeenvoudig, dat Onze Lieve Heer voor de rest zorgt? De Brazilië-emigratie stellen wij op een volkomen religieus plan. Wij zullen werken, gelukkig zijn en onze kinderen degelijk opvoeden. Daarom werd ondanks alle moeilijkheden, gevaren en risico’s, steeds doorgezet. Daarbij bleef de overtuiging dat wij Gods hulp hebben herhaaldelijk mochten wij dit in concrete en sprekende voorvallen ondervinden. Mits allen overtuigd zijn, dat de basis waarop wij gaan ’n godsdienstige basis is, zullen we slagen en in Brazilië iets groots en moois bouwen.’

Nieuws uit de Hollandse nederzetting in Brazilië

In augustus 1949 schreef pater Hilarion Remmerswaal O.Carm. (1916-1984) vanuit Rio de Janeiro een brief aan het Nederlandse weekblad De Linie, waarin hij zijn indrukken weergaf van het leven en werken van de pioniers op de Fazenda Ribeirão. Dit stuk werd op 24 september 1949 ook gepubliceerd in het Venrayse weekblad Peel en Maas. Hij doet verslag van een bliksembezoek van Geert Heymeijer aan Brazilië in januari van dat jaar, met als doel de laatste moeilijkheden rond de aankoop van de fazenda uit de weg te ruimen.

Een telefoon rinkelde ergens in Den Haag. Ingenieur Heymeijer nam de hoorn van de haak en zei droog: ‘Met Heymeijer’. Dan spalkten zijn ogen zich wijd open, terwijl zijn voorhoofd tot een smal strookje rimpelvel optrok, want van de andere kant klonk het: ‘Hier is telefoon voor U uit São Paulo, Brazilië’. Het gesprek was in ’t kort ongeveer aldus: ‘Er zijn moeilijkheden gerezen met ons contract. Kunt U niet even overkomen?’ Antwoord: ‘O.K.’ Das was op Driekoningen, donderdag 6 jan. 1949.
                Zaterdag 8 januari, toen vier dreunende motoren van een Constellation van de K.L.M. de lucht introkken boven Schiphol, keek Heymeijer peinzend door het raampje naar het kleine Holland, dat steeds maar kleiner werd voor zijn inwoners en hij streek over zijn gelaat: ‘’t Moet! Hier kan het niet langer; geen land meer voor de boeren…’
                Dan sprongen zijn gedachten naar het eindpunt van de reis: Brazilië, Fazenda Ribeirão. Hij zag ze voor zich liggen. Vijfduizend hectaren, die hij uitgezocht had voor zijn boeren, heet en gloeiend in de tropenzon, heuvelachtig, hier en daar bedekt door bos, maar grotendeels begroeid met taai, manshoog, wild gewas of met grassoorten, waar een Hollandse koe de neus voor op zou halen. Het contract van aankoop moest doorgaan, koste wat kost. Hij keek weer naar beneden en werd ongeduldig, omdat vanuit de hoogte gezien alles zo traag voorbij schoof. De motoren zongen nu kalm en eentonig, als zeiden zij: ‘Kalm, kalm! Die tienduizend kilometer werken we snel genoeg af..’

Twee dagen later…
Zondag 9 januari werd Heymeijer opgezogen in de miljoenenmassa, die op het hete middaguur door ’s werelds schoonste stad krioelt – Rio de Janeiro. Maandag maakte hij per vliegtuig de 500

Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim
Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim

km-sprong naar São Paulo en vandaar per auto de laatste 150 km naar de Fazenda Ribeirão. De eerste 70 km over gloednieuwe betonweg, doch dan begon hij in de sfeer te komen: stof, stof en nog eens stof. Machteloos waren de koplampen tegen de ondringbare wolken, die vóór hem rijdende wagens opjoegen. Als hij over een bestraat gedeelte reed, door de weinige plaatsen die aan de weg lagen, dan gingen snel even de ramen open om wat lucht te happen.
                Dan, twee dagen na zijn vertrek uit Den Haag, doemde een paar zeer zwakke lichtjes op uit de duisternis: de Fazenda! Een jeep begon te werken met z’n schijnwerper als wilde hij de weg aanwijzen. Daarboven, rechts en links volslagen duisternis. Kort daarop de opwinding van een onverwacht weerzien en Heymeijer stond tegenover de eerste drie durvers, die alvast begonnen waren met de voorbereidende maatregelen voor de vestiging van de kolonie der Nederlandse Katholieke Boeren.
                Diezelfde avond begonnen de besprekingen, niet in een deftige zaal, maar op een veranda van een verwaarloosd landhuis, zwak verlicht door op de tafel geplakte vetkaarsen, in wier flikkerende schijn weelderige goudenregen en de rode bloemen van metershoge cacteeën een romantische achtergrond vormden.

Vervallen oase…
De moeilijkheden, die het contract in de weg stonden, werden die week nog opgelost. Maar er waren nog andere obstakels. Er was letterlijk niets op de Fazenda, die tot dan toe gediend had als fokkerij van slachtvee voor een grote exportslagerij. Dat “fokken” bestond alleen in het vee bij duizenden bijeendrijven, het daar aan zijn lot over te laten en er zo nu en dan een honderd op te halen voor de grote abattoirs van São Paulo. Er was geen stroom. Er was één tamelijk fatsoenlijk huis en er waren 31 vervallen hutten, waarin de cowboys en hun families gehuisd hadden. Daar moesten zich nu 200 Hollandse boerenfamilies vestigen.
                De pioniers klommen met hun vieren in een jeep om een beetje rond te dwalen op die 5000 hectaren van bijna woeste grond. ’s Was gloeiend heet. Weg jasje, weg das, weg met dat boord. Ongeveer 5 km van huis werden ze overvallen door een tropische regenbui. Binnen enkele seconden zaten hun kleren drijfnat op hun lijf geplakt. Wat een land… Maar het buitje dreef over en voordat ze thuis kwamen, waren shirts en broeken alweer kurkdroog, gestoofd door de tropenzon.

Symbool
Zaterdag 15 januari vertok Heymeijer weer naar Rio, waar hij tegen de avond aankwam. De Constellation zou pas tegen de middernacht vertrekken. Hij had dus nog een paar uur en zocht wat rust in een wandeling door de stad. Het was midzomer. Temperatuur overdag 35° Celsius in de schaduw. De nacht bracht gelukkig enige verkoeling, hetgeen de mensen naar buiten lokte. Terwijl

Avenida Getúlio Vargas, Rio de Janeiro

hij zo over Rio’s grootste boulevard slenterde, de Avenida Getulio Vargas, zag hij zich plotseling midden in een menigte zingende en dansende negers. Tegen wil en dank voelde hij zich gegrepen door het ritme van een Afrikaanse dans, dat die bezwete, zwarte lijven heen en weer deed schokken, terwijl zij eentonig gezang met langgerekte kreten uit hun schorre kelen stootten. En terwijl hij zo toekeek, zag hij niet meer de moderne blanke wolkenkrabbers als achtergrond, maar een Afrikaanse jungle – niet meer de shorts en kapotte hemden der negers, maar weelderige vederbossen en kraalversiersels.
                Dan zag hij de slavenjagers, die hen wegsleurden uit hun nederzettingen – de schepen van Europa’s meest beschaafde volkeren, Holland niet uitgezonderd, waarop zij als vee naar de nieuwe wereld werden gesleept – de slavenmarkten van Rio van waaruit zij verdeeld werden over geheel Brazilië. En nu dansten ze hier op het onmetelijke trottoir van een onmetelijke Avenida in een miljoenenstad, half natuurkinderen nog, half geretoucheerd door de Westerse beschaving, met hun handen de slaginstrumenten bekloppend, en zingend.
                Hij voelde bijna tastbaar, hoe dit nieuwe land kreunde en kraakte in zijn sociale en economische ontwikkeling, nauwelijks honderd jaar geleden van uitgebuite kolonie tot zelfstandige staat geworden. Hij huiverde om de ontzaglijke moeilijkheden, die Brazilië’s vooruitgang belemmerden, maar hij zag ook de mogelijkheden van dit gigantenland, een de plaats, die zijn boeren in deze titanenstrijd zouden kunnen innemen.
                Toen hij enige uren later de zee van licht onder zich zag verzinken, was hij zich bewust, dat hij een nieuwe kijk had gekregen op Brazilië. Brazilië bezat veel, dat we in Holland gelukkig niet hebeen, maar ook ontzettend veel dat wij Nederlanders als zwaar gemis aanvoelen. Brazilië geeft je de kans, om strijdend de plaats te veroveren, die nobel idealisme je hartstochtelijk doet begeren. Nederland is als een theater, waar de plaatsen reeds te voren genummerd en uitgedeeld zijn.
                In luttele uren gleden de 10.000 km onder hem voorbij, met het Braziliaanse kustgebergte, de Oceaansprong van Recife naar Dakar, Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland. Maandagmorgen 22 januari, nog geen twee weken na zijn vertrek, was hij weer in een eigen huis op stelten, want als een bom vielen zijn woorden: ‘Vrouw, wij gaan ook. Dáár ligt onze levenstaak. Dáár moeten we vechten om de boerenemigratie tot een succes te doen uitgroeien.’ Twee maanden later vertrok hij definitief met vrouw en kinderen.

Paupiek
Ber Souren en zijn vrouw voor hun van gevlochten takken en met leem besmeerde woning, de z.g. pau-a-pique

Nieuwe wereld
Zeven maanden na bovenvermeld telefoontje vergezelde schrijver dezes vier nieuwe emigranten van Santos naar de Fazenda. Welk een metamorfose! Daar, waar in januari nog niets was, ratelde nu een enorme machine bij het plukken van 120 ha. mais; 80 ha. tarwe stond zacht op teergroene stengels te wiegelen, als fluisterden ze: ‘Sjonge, sjonge, hoe is het mogelijk!’ 30 ha. aardappelen en 25 ha. lupinen hadden de plaats ingenomen van het metershoge onkruid, waar een tractor bijna in vast raakte; 300 ha. waren reeds geploegd en nog 700 andere zouden klaarkomen voor de zaaitijd in december-januari.
                Dag en nacht dreunde een bulldozer met ploeg over de velden, onder laaiende zon of onder het schokkende licht van een schijnwerper, die op de machines bevestigd zat. De ganse dag zongen de electrische zagen hun scheurend lied in de timmerfabriek, klonk het gehamer in de smederij, waar steekvlammen groen en wit op het ijzer uiteenspatten. Vanaf een kale hoogte stond een gloednieuwe benzinepomp trots naar meer dan 300 koeien te staren.
                Er was een kapel met een prachtige muurschildering van de kapelaan der nederzetting. Stille, vriendelijke zusters liepen bedrijvig heen en weer. Tien gloednieuwe huizen van baksteen nodigden uit om binnen te komen; 46 anderen, in aanbouw, stonden al een dikke meter hoog en zouden binnen drie maanden klaar zijn; 31 leemhutten waren opgeknapt met een nieuwe cementvloeren en wat pleisterwerk, om als voorlopige woningen te dienen.
                En te midden van dat alles gingen de boeren hun weg, boeren uit alle streken van Nederland, mannen in de bloei hunner jaren en heel jonge kerels, bijna kinderen nog. Van kinderen gesproken: het was een genot, al die dialecten dooreen te horen als je stond te kijken bij de jongens, die aan het ravotten waren en bij de meisjes, die hier natuurlijk ook touwtje sprongen.
                En de geest, die daar heerste! Opbruisend van levensmoed en durf. Kerels, die zich door het zware pionierswerk niet lieten neerslaan, die spontaan de moed er weer in pompten, als de een of ander de kop liet hangen.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (2)

Tragiek van een te klein moederland

‘Van hen wil ik geen steuntrekkers maken,’ zei boer Sanders, wijzend naar zijn drie oudste spierwitte kinderen, die heel Diessen, voor zover nog niet wakker, op stelten zetten, toen ze de bus in moesten. ‘Ik heb geen grond voor ze, wanneer ze groot worden…En naar de fabriek sturen, doe ik ze ook niet. We hebben geen ruimte meer. Bovendien komen er mij teveel vreemden op m’n erf, hier in Nederland, en iedereen steekt tegenwoordig maar z’n neus in je bedrijf…Nou, en daarom ga ik met mijn vrouw en vier kinderen naar Ribeirao…’

Sanders
Mevrouw Sanders-Versteden met Marietje, Tonia en Theodorus op de loopplank van de Algenib

Zaterdag zijn ze dan eindelijk vertrokken. Voor dag en dauw de bus in, die hen via Den Bosch naar Antwerpen brengen zou. Het was voor deze Oost-Brabantse en Noord-Limburgse gezinnen de dag van hun leven. De meeste emigranten waren gewone, vrij gegoede boerenmensen; enkel andere landverhuizers gingen mee als vaklui voor de nieuwe kolonie, terwijl een der weinige Hollanders bij deze groep zijn bekwaamheid als bosbouwkundig ingenieur in dienst van de Nederlandse gemeenschap te Ribeirao zal gaan stellen. De emigratie naar Brazilië, onder auspiciën van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond verschilt van de andere emigratie hierin dat Brazilië kolonievorming toestaat en bovendien door credieten de emigranten op betrekkelijk belangrijke wijze in de aanvangskosten tegemoet komt.

Al deze Nederlanders keerden voorgoed op deze zaterdag hun smalle akkers in het moederland de rug toe. Het was dezelfde smalle grond, welke hen generaties lang had gevoed, welke steeds weer op een nieuwe generatie van vlijtige, sober levende boeren was overgegaan. Thans was deze grond…te klein geworden. Niet zozeer voor hen zelf, alswel voor hun kinderen. In deze groep was er slechts één, die emigreerde uit angst voor de Russen. Alle anderen zagen er voor hun kinderen geen gat meer in, waren zelf momenteel in vrij goede doen. Zij hadden alle schepen achter zich verbrand en op die zaterdagmorgen stonden zij voor het laatst in hun leeggeruimde woonkamer, liepen voor het laatst over de eigen vertrouwde grond waar hun vader en diens vader, waar geslachten vóór hen het brood voor zich en de hunnen hadden verdiend, en namen afscheid van alle bekenden in deze kleine vertrouwde dorpen.

Dat dit een zwaar uur was, bewezen wel de ogen van moeder Sanders, die met haar kleinste dochtertje op de arm (tien maanden oud) de bus binnen kwam en de andere drie, vlasblonde hummels (luidkeels huilend) met een paar sussende woorden op hun gemak probeerde weg te stellen. Zij waren nooit uit Brabant weggeweest, boer Sanders had vijftien bunder land, maar voor deze vier kinderen, het oudste vier jaar, zag hij in dit land geen toekomst meer.

En daar was de familie Theunissen uit Diessen: één zoon, en drie Brabantse “blommen” van dochters, die hun hart ondanks hun twintig lentes of meer, om de drommel nog niet aan de “new look” hadden verpand. Een van de drie dochters had nog nooit in de trein gezeten, kreeg er vlak voor haar vertrek de kans voor, zou dan tegelijk voor het eerst (en ’t laatst) van haar leven Amsterdam en Den Haag kunnen zien, en zei: ‘Och, denkt U dat ik daar zoveel wijzer van zou worden?’ Een goed, degelijk slag volk, en boer Theunissen, met 59 jaar, twee boerderijen achter latend – ‘ze doen ‘t nie van erremoej!’ – was de oudste emigrant. Toen iedereen dan in de bus zat en buiten in de eerste schemer de achterblijvende boeren onder hun stijve Brabantse petten bedachtzaam en niet begrijpend het hoofd hadden geschud over zoveel “Braziliaans onverstand”, kwam burgemeester Van Wijnhoven nog persoonlijk alle mensen de hand schudden: ‘Als ’t jullie niet bevalt, kom dan maar terug naar Diessen; we zullen jullie weer met open armen ontvangen’. En daarna kwam “Sjaak-van-Kees-Ome” (weet U wel) nog efkes, en zei: ‘Ge loat nog mar iets van oe heure, en ge èt de groete nog van de smid’, waarna Theunissen nog even het raampje opschoof en tegen de bakker riep, dat ie zijn laatste broodjes voor hem gebakken had. Het waren er overigens zóveel, dat de hele bus met wegbrengers er op de terugweg ruimschoots van gevoed werd!

In Den Bosch was nog een laatste H. Mis op Nederlandse bodem. Een goed, degelijk volk, dat daar, aan de voeten van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, afscheid kwam nemen en de zegen afsmeekte over zijn nieuwe ontzaglijke levenstaak. Van het nieuwe land hunner toekomst hadden ze alleen maar een film gezien, en na het gemeenschappelijk ontbijt, raakte Sanders al in de wereldstad Den Bosch zijn vrouw met de spruiten kwijt, en beloofde dood-zenuwachtig zijn laatste Nederlandse rijksdaalder aan St. Anthonius.

In de namiddag begon aan de Statiekade in Antwerpen – haast niemand nog had al een boot van zo dichtbij gezien – de inscheping. Ze werden er allemaal een beetje zenuwachtig van toen ze de steile loopplank naar de Rotterdamse “Algenib” opklommen, en het nieuwe leven zond reeds een overrompelende voorproef toen er even later sloepenrol gehouden werd. Maar men bleef welgemoed en een van hen zei: ‘’t Is de wereld nie uit, mar ge moet nie achterom kijke…’ Laat in de nacht verdween de kust van Walcheren achter een mistige gure winterhorizon en verloor Nederland – het waren niet de eersten, het zullen ook de laatsten niet zijn – wèèr een aantal van zijn beste en moedigste mensen.

Een stuk van zijn sterke, degelijke kern brokkelde af, ging in een ver en nieuw land waar ruimte was, een nieuwe toekomst opbouwen. Hun energieke voortrekker, de sympathieke “emigrantenvader” ir. G.J. Heymeijer, drukte hun onder doodse stilte op het hart, om ‘hard te zijn voor zichzelf, en hart te hebben voor hun medekolonisten…’ Waarna huntoekomstige Norbertijner-Pastoor, pater dr. Sijen, nog over het apostolaat sprak, als zij als Nederlandse katholieke gemeenschap te vervullen hadden, en tenslotte het ontroerende reisgebed bad…. ‘God, onze Zaligmaker, geef ons een voorspoedige reis; toon ons Heer, Uw wegen…’ In Ribeirao hopen in de toekomst meer dan tweehonderd Nederlandse gezinnen een nieuw bestaan te vinden.

De Maasbode, 20 december 1948.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (I)

Nadat enkele pioniers al vooruit waren gegaan, kwam op zondag 19 december 1948 de emigratie naar Holambra echt op gang. Op die dag vertrok vanuit Antwerpen de ms. Algenib. Volgens Boer en Tuinder begonnen de machines van het schip in het eerste uur van die morgen aan de Statiekade aan hun ritmisch gestamp. ‘De schroeven bruisten door het Scheldewater en langzaam schoof de boot in de duisternis de haven uit. In de ruimen sliep ’n kostbare lading. De eerste groep emigranten voor de Fazenda Ribeirão in Brazilië. Ruim drie weken zijn deze 32 emigranten, manen en vrouwen, vrijgezellen en kinderen onderweg naar de haven Santos. In het heetst van de Braziliaanse zomer zullen zij op de eerste kolonie van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië aankomen en direct met de arbeid beginnen.’

Afscheid emigranten Den BoschHet vertrek begon een dag eerder met een door de toekomstige pastoor van de kolonie, Godfried Sijen OPraem opgedragen H. Mis in de Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch, ten einde Gods zegen af te smeken over de onderneming. Bij het afscheid waren ook aanwezig de voorzitter en de secretaris van de Emigratiestichting van de KNBTB Gerard Kampschoër en Ruud Roborgh, alsmede Geert Heymeijer en zijn echtgenote.

De groep voortrekkers bestond uit Herman Theunissen, landbouwer uit Diessen, met echtgenote en vier kinderen, Jan van de Ven, automonteur uit Tilburg, Henk Klein Gunnewiek, landbouwer uit Hilvarenbeek, Wim Stapelbroek, landbouwer uit Diessen, Theo Borst, timmerman uit Zevenaar, W.J.J. Mulder, bosbouwkundig ingenieur uit ’s-Gravenhage, J.M.H. Hendriks, timmerman uit Nunhem met echtgenote en 4 kinderen, Jan Nabuurs, landbouwer uit Venray met echtgenote, Thomas Sanders, landbouwer uit Reusel met echtgenote en 4 kinderen, Piet Wagemaker, veehouder uit Haarlem, met echtgenote en 4 kinderen en tenslotte Frans van Riel, landbouwer uit Diessen.

Aan het vertrek van deze eerste grote groep emigranten naar Brazilië werd in de katholieke pers de nodige aandacht besteed. Op maandag 20 december 1948 publiceerde de het dagblad De Maasbode een uitgebreide reportage over deze gebeurtenis. Hierover een volgende keer meer.

Bron: Boer en Tuinder, 24 december 1948. Foto: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen

Eindelijk…..Brazilië! (2 – slot)

Bij de start van de jonge nederzetting, die later beter bekend werd als Holambra was initiatiefnemer Geert Heymeijer vol vertrouwen. Vertrouwen in God en vertrouwen in de capaciteiten van de pioniers en vertrouwen in de mogelijkheden die Brazilië te bieden had. In het artikel dat Boer en Tuinder op 18 december 1948 – kort voor het vertrek van de eerste grote groep emigranten – publiceerde, bekende hij dat hoewel hij oog had voor de moeilijkheden, steeds meer de mogelijkheden was gaan zien. ‘Onze kracht ligt in de kwaliteit!’, zo besloot hij dit verslag van de werkzaamheden van de pioniers van de Fazenda Ribeirão.

Vertrouwen.
Dat zijn zo de kleine moeilijkheden van het begin, maar dat betekent niets tegenover de grote mogelijkheden die wij zien, en tegenover datgene wat wij nu al hebben. Want ik zei toch, dat wij niet helemaal zonder zitten. We hebben een kleine steenbakkerij, we hebben een waterval en tal van kleine rivieren, die bevloeiing in de droge tijd mogelijk maken. We hebben een meer met krokodillen er in, en we hebben een bos met apen. En niet te vergeten: we hebben Willem Miltenburg met zijn onverwoestbaar optimisme en met zijn jeep, die de meest onwaarschijnlijke terreinhindernissen neemt. We hebben ook nog de onderwijzeres van het Fazendaschooltje, dat op het ogenblik nog maar weinig leerlingen telt, hoofdzakelijk van de “buren”. Die onderwijzeres, een vlotte Braziliaanse, geeft iedere avond Portugese les aan de Hollanders.

Maar wat wij bovenal hebben is: vertrouwen. Vertrouwen op de eerste plaats in Gods onmisbare zegen. Een paar weken geleden hebben wij onder het afsmeken daarvan de eerste spade in het Ribeirãoland gestoken. Een dezer dagen hebben wij bezoek gehad van drie Hollandse zustertjes, die al een half jaar in São Paulo zijn om te acclimatiseren en zich straks, met nog enkele andere en een pater, op de kolonie komen vestigen. Zij hebben gebeden en wij met hen, en zij hebben het eerste zaad aan de aarde toevertrouwd.

Met Nederlandse vakkennis en Nederlandse energie.
Vertrouwen hebben wij ook in de capaciteit van onze pioniers en in de mogelijkheden, die dit land onder bepaalde omstandigheden biedt. Het is de derde maal, dat ik hier voor enkele maanden rondtrek, en ik heb mijn ogen en oren goed de kost gegeven. De eerste keer waren mijn indrukken nogal gemengd en was ik meer onder de indruk van de moeilijkheden dan van de mogelijkheden, die Brazilië oplevert. Op mijn tweede reis en thans ook op mijn derde reis zie ik de moeilijkheden niet minder, maar de mogelijkheden duidelijker. Wanneer men zie wat hier en daar, al is het slechts sporadisch vooral door Italianen en andere vreemdelingen op allerlei gebied is bereikt, dan begrijpt men, wat prima vakkennis, gepaard aan doorzettingsvermogen en organisatietalent waard is. En over deze capaciteiten zal de keurbende van onze emigranten ongetwijfeld beschikken. Een krachtige organisatie zal de inderdaad vele en grote moeilijkheden, die er te overwinnen zijn, uit de weg ruimen, al zal het in den beginne dan ook langzaam gaan. Maar op den duur moeten wij het winnen. Wij zullen ook veel moeten experimenteren en ook dat zal oorzaak zijn van een betrekkelijk langzaam vooruit gaan. Op tegenslagen en mislukkingen moeten wij dus rekenen, maar zijn wij daaroverheen, dan zullen de pioniers dankbaar kunnen neerzien op het grootste werk, wat tot stand is gebracht.

Wanneer Miltenburg en ik het terrein doorkruisen, dan zien wij al die boerderijen daar liggen, tussen de zacht glooiende heuvels in de schitterende natuur, het verbeterde land en de verbeterde wegen, het Hollandse vee, dat hier met een goede behandeling best wil gedijen, de kerk, het klooster en de zuivelfabriek, de magazijnen en de monteurswerkplaats, de steenfabriek en wie weet wat nog meer. We zien de vrachtauto’s rijden naar São Paulo over de grote weg, die al voor bijna de helft een brede betonbaan heeft, om de melk weg te brengen, die daar goede prijzen oplevert, de varkens, de slachtkippen en de eenden, de groenten en wellicht ook de bloemen en het fruit. Wij zijn er ons van bewust, dat wij dan iets gemaakt hebben, wat Brazilië nog niet heeft gezien, en evenzeer dat dit moet kunnen en zal kunnen. Maar wij staan met beide benen op de grond en weten in alle nuchterheid, dat het nog niet zo ver is, nog lang niet, en dat er nog menige zweetdruppel zal vallen op de Braziliaanse grond en dat nog menige zucht geslaakt zal worden.

Onze kracht ligt in de kwaliteit! Kwaliteit van de pioniers, van de mannen en – niet minder, zo niet meer – van de vrouwen. Er zal veel van hen geëist worden. Van het karakter op de eerste plaats: godsdienstzin en eenvoudig Godsvertrouwen, doorzettingsvermogen en optimisme, een grote saamhorigheid, verdraagzaamheid en bereidheid om eigen wensen en verlangens aan het belang van anderen of van de gemeenschap op te offeren, soberheid en eenvoud, en ten slotte harde en gestage arbeid. Op de tweede plaats aan de kennis en het technische kunnen. Veel en veelsoortig werk zal moeten worden gericht en wij zullen daarvoor allround kerels nodig hebben. Er is nog heel veel te doen, maar het werk zal beloond worden.

Eindelijk….Brazilië!

Na twee jaren van voorbereiding en onderhandelen met de Braziliaanse autoriteiten was in november 1948 de aankoop van de Fazenda Ribeirão, een verlaten veefazenda van het Amerikaanse vleesconcern ‘Armour’ eindelijk geregeld. Al vanaf juli 1948 was een groep pioniers met Nederlands stamboekvee op de fazenda aanwezig om de ontginning op gang te brengen en de komst van de eerste emigrantengezinnen voor te bereiden. Op 18 december 1948 publiceerde Boer en Tuinder een brief van Geert Heymeijer met zijn indrukken van de pionierstijd.

Fazenda Ribeirão, Brazilië.
Ik zit te schrijven aan de enige tafel, die de kleine kolonie rijk is. Door het raam zie ik op een brede rand hoge struiken met grote felrode papegaaibloemen; de witte muur van de paardenstal blinkert er doorheen en verderop wuiven de slanke eucalyptusbomen tegen een achtergrond van flauw golvende heuvels en een stuk blauwe lucht. Het is winter hier en het klimaat is thans zo ideaal als men maar wensen kan. Daar zitten wij dan met vier mannen, één vrouw en twee kinderen, met vijfduizend hectaren voor ons om te ontginnen. Eindelijk, na bijna twee jaren van zoeken, onderhandelen en voorbereiden is het er van gekomen. Vijfduizend hectaren zijn ons eigendom geworden en zij liggen te wachten op de Nederlandse boeren, het Nederlandse vee en de tractoren.
We zitten hier nogal erg primitief en de kolonisten zullen zich wel een tijdlang moeten behelpen met een minimum aan comfort; het menu is nog niet overdadig, want de productie is nog niet begonnen. Zwarte koffie met zelfgebakken brood aan het ontbijt en ’s middags het nationale voedsel: rijst met bonen, en ’s avonds…. bonen met rijst (meel is duur en schaars). De sinaasappelbomen zijn grondig leeggeplukt door de vertrekkende eigenaren; de bananen zijn nog niet rijp maar de Nunhemse worteltjes, de sla en de tomaten staan al boven de grond. En de volgende week komen de koeien, die Willem Miltenburg uit Holland meebracht en nu nog in quarantaine staan.

Tractoren ronken dag en nacht.
Als de lezers dit onder het oog krijgen, zullen de tractoren waarschijnlijk reeds ronken over het terrein. Dag en nacht zullen ze doordraaien en het land openscheuren met de machtige schijfploegen, want voor december moeten er 1000 hectaren met mais, rijst en bonen bezaaid zijn. En intussen draven de vier bruinzwarte Brazilianen, die wij vanmorgen hebben aangesteld, dag en nacht op hun kleine paardjes het terrein rond om het te bewaken. Want een pas verlaten fazenda is een begerenswaardig object voor lieden, die van jagen en vissen houden of behoefte hebben aan prikkeldraad, dat hier verschrikkelijk duur is, of aan de ijzerharde heiningpalen, die hier bij duizenden staan.

Problemen.
Denk nu maar niet, dat alles zo eenvoudig gaat in dit land. Wie het niet zelf gezien heeft, kan er zich geen beeld van vormen en zich de moeilijkheden niet voorstellen, die overwonnen moeten worden. – Neen, ons geduld zal nog dikwijls zwaar op de proef worden gesteld en wij zullen ons nog vaak moeten verbijten, alvorens wij een beetje behoorlijk behuisd zijn en vooral voor we voldoende in de spullen zitten. Materiaal om te werken en grondstoffen vormen het grote probleem hier.
Een schop en een hamer zijn heus niet voldoende om 5000 hectaren te lijf te gaan waar alles ontbreekt en waar de meest primitieve problemen nog moeten worden opgelost. Problemen van water, licht en kracht. Problemen van transport, dat altijd grote afstanden betreft en over wegen gaat, die in modderpoelen veranderen na een flinke regenbui. Problemen van aanvoer van materiaal en niet het minst het probleem van de taal… van de duiten!

Kerkgang: 40 km heen en 40 km terug
De mensen “thuis” kunnen zich eenvoudig niet indenken wat het betekent als je op vele kilometers afstand geen smid hebt en geen smidse, geen timmerman, geen spijkers en geen hout, om van een bakker en een slager, een monteur en een metselaar maar niet te praten. Voor de zondagse kerkgang moet een rit gemaakt worden van 40 km heen en 40 km terug. Maar dan genieten we daarna ook met volle teugen van de gulle gastvrijheid van de Hollandse paters, die zich daar in Campinas hebben gevestigd en van wie wij reeds veel materiële en geestelijke hulp hebben ondervonden.
Maar helemaal zonder iets zitten we toch niet. Wij hebben een waterkrachtturbine, die 10 p.k. kan leveren en bovendien nog een stroomversnelling, die een vermogen kan opbrengen van 50 p.k. We hebben een bos van een paar honderd ha waarin nog gekapt en gezaagd moet worden en over vrij grote afstand naar het centrum gesleept.
Aan de turbine was een cirkelzaag gemonteerd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd, maar de vorige eigenaren hebben alles keurig opgeruimd en ze hebben de cirkelzaag niet vergeten. Maar daarop was gerekend en een cirkelzaag behoorde tot de uitzet van de eerste pioniers, die in april vertrokken. Nu moet dat geval echter nog gemonteerd worden en moet er een werkbank worden gefabriceerd. Wat overtallige stalstijlen leverden het materiaal. Prachtig hout, maar keihard en je kreeg er geen spijker door. Met bouten en moeren moet de zaak nu in elkaar worden gezet en Henk Ruhe toog er vanmorgen op uit met de bus naar het dichtst bijzijnde stadje op 15 km afstand. Het hele plaatsje werd “uitgekamd” op bouten en de oogst was 30 tweedehands bouten en moeren voor de somma van ƒ 11,30. En dan zeiden ze nog dat het goedkoop was!

‘Ir. Heymeyer komt voor onze aspirant-emigranten’

Na de publicaties van Heymeijer in het boerenbondsblad Boer en Tuinder en zijn radiovoordracht (zie de bijdragen ‘Wij zochten land in Brazilië’ op deze website) was de belangstelling voor emigratie naar Brazilië alleen maar toegenomen. Op 6 en 7 mei 1947 organiseerde de Noordbrabants Christelijke Boerenbond (NCB) in Breda en Boxtel twee voorlichtingsbijeenkomsten. Gezien de grote belangstelling moest men in het bezit zijn van een toegangsbewijs en een entreegeld van 5 gulden te betalen. De NCB-editie van Boer en Tuinder kondigde beide voorlichtingsbijeenkomsten op 3 mei 1947 als volgt aan.

Heymeijer
Geert Heymeijer

‘Het vraagstuk der emigratie heeft de laatste tijd zo in het teken van de belangstelling gestaan, dat misschien geen enkel van de vele problemen die onze boerenstand op ’t ogenblik raken zoveel werd besproken. Deze belangstelling werd zelfs opgevoerd tot spanning ja zelfs hoogspanning en hiertoe hebben zeker voor een deel bijgedragen ontelbare vergaderingen en lezingen waar over emigratie werd gesproken, naar diverse landen, waaronder vooral Brazilië. Ja het kwam zelfs zover, dat Brazilië bij de meesten in hun gedachten en fantasie hing als het land van belofte, zelfs haast als een Luilekkerland!

Waarom niet? Men vindt er immers edele metalen, steenkool, een prachtige natuur, en wat onze boeren vooral trok, prima grond, zware klei in uitgestrekte oppervlaktes, niet te overzien. Ja stel U eens voor, een land met al die rijkdom, een land in opkomst, bijna 200 maal zo groot als Nederland met slechts ongeveer 40 millioen inwoners, terwijl de grond daar bijna voor ’t grijpen ligt, en bijna niets kost. En dan nog wel grond, welke zonder bemesting de zwaarste opbrengsten oplevert! En de prijs der producten? O, dat was allemaal prima in orde. Brazilië moet immers al zijn landbouwproducten invoeren, en kent geen landbouw van betekenis. Dus daar behoefde men niet voor de vrezen. Dit was de verbeelding!!

Hoewel deze verbeelding zeker niet bij allen, die gedwongen door de omstandigheden, rondliepen met emigratie-aspiraties aanwezig was, velen hunner stelden zich Brazilië toch voor als bovenomschreven. Overgroot was dan ook de belangstelling voor de vergaderingen die werden belegd door onze organisatie, en waar ir. Horsmans en de heer Kampschoër [de directeur en de voorzitter van de Emigratiestichting van de KNBTB, MS] kwamen spreken over emigratie, waarbij tevens formulieren werden uitgedeeld waardoor men zich voor emigratie kan opgeven, en we telden zelfs vergaderingen met meer dan 1000 aanwezigen. Een stroom van opgaven kwam binnen en groeide aan tot een aantal van 700 stuks. Zij die zich meldden waren niet alleen jonge boeren doch ook gehuwde, met grote en kleine gezinnen met grote en kleine kinderen, en voor 90 pct. als pionier.

Wat is nu de werkelijkheid? Hoe is de grond, het klimaat, de prijs der producten, het levensniveau, kortom: wat zijn de mogelijkheden in Brazilië? Voor wie is er kans? Wie zullen in aanmerking komen als pionier bij de eerste groep? Dit, en vele andere, waren vragen waarop wij allen een antwoord wilden hebben. En alhoewel we een en ander konden lezen in Boer en Tuinder, vele vragen bleven voor ons onbeantwoord, terwijl we smachtend zaten te wachten, en alhoewel door de drukke voorjaarswerkzaamheden bij velen de spanning enigszins ontladen is, toch zou men graag iets meer weten. Welnu hiertoe zal ir. Heijmeijer omtrent zijn ervaringen in Brazilië vertellen, en ruime gelegenheid geven tot het stellen van vragen.’

Wij zochten land in Brazilië (IV – slot)

De commissie-Heymeijer verontschuldigde zich in haar rapport over het feit dat niet erg vleiend voor Brazilië en de Brazilianen. Zij meende in het belang van hen ‘voor wier toekomst wij ons verantwoordelijk achten’ er goed aan te doen de situatie met een kritisch oog te moeten bezien. ‘Indien (…) een gelegenheid gevonden wordt, waar inderdaad redelijke kansen voor Nederlanders bestaan (…), dan zullen degenen, die dan toch besluiten den stap te doen en de moeilijkheden het hoofd te bieden, voor het grootste deel wel blijken te zijn gesneden uit het hout, waaruit men pioniers snijdt. En deze lieden zullen slagen. Stelt men aan den anderen kant zaken te gunstig voor en wordt over de moeilijkheden maar luchtig heengegaan, (. ..) dan zullen velen verleid worden te emigreeren, voor wie de werkelijkheid een bittere teleurstelling zal beteekenen. Dit moet tot iederen prijs voorkomen worden, niet alleen in het belang van de slachtoffers, maar in het belang van de emigratie in het algemeen.’
                In 1973, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Holambra, blikte Heymeijer terug op het werk van zijn onderzoekscommissie. Hij gaf toe Brazilië in korte tijd te hebben gezien met Nederlandse ogen en te hebben aangehoord met Nederlandse oren. ‘Bij voorbaat kon gesteld worden, dat ons oordeel wat eenzijdig en zeker niet definitief kon zijn. Wij waren ons daar van bewust en daarmede ook van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van al te grage emigranten. Groepsemigratie zou de aangewezen wijze van emigratie zijn en dan waren er ook goede perspectieven. De candidaat-emigranten zouden goed voorbereid dienen te worden en er niet al te gemakkelijk over moeten denken om de stap te doen.’
                Het weekblad Boer en Tuinder publiceerde op 12 april 1948 de volgende conclusies van de commissie-Heymeijer:

  1. Waar voldoende arbeidskrachten zijn en redelijke transportmogelijkheden is de rentabiliteit van den landbouw in Brazilië op het ogenblik goed; in de koffie- en katoencultuur zelfs zeer goed. Dit laatste geldt ook voor den tuinbouw en de melkveehouderij in de omgeving van de groote steden. De economische toestand van Brazilië is op het moment zeer labiel; rekening moet worden gehouden met een daling van de prijzen der agrarische producten. Dit zal in mindere mate het geval zijn met sommige eerste levensbehoeften: melk, groenen, fruit, aardappelen.
  2. Voor emigratie naar Brazilië komen alleen jonge bij voorkeur gehuwde personen met een groot aanpassingsvermogen in aanmerking. De emigrant dient er rekening mede te houden, dat hij een periode van economische en sociale moeilijkheden zal moeten doormaken. De laatste moeilijkheid is in het algemeen voor de vrouwen het grootst. Vestiging als landarbeider is ten sterkste af te raden, gelet op den zeer lagen levensstandaard van den plattelandsarbeider in Brazilië. In bepaalde gevallen kunnen bekwame Nederlandsche boeren in een redelijke positie in loondienst worden geplaatst. In verband met de vrijwel in alle opzichten van de Nederlandsche sterk afwijkende toestanden en volksaard is individueele emigratie van landbouwers in het algemeen af te raden. In bijzondere gevallen of voor personen met speciale eigenschappen kan individueele emigratie succes opleveren. In alle gevallen moeten de emigranten in Nederland zoo volledig mogelijk worden ingericht en gewaarschuwd voor de moeilijkheden, die hun wachten, terwijl in Brazilië daadwerkelijke hulp en voorlichting noodzakelijk is. Emigratie op goed geluk levert de meest ernstige gevaren voor economische en maanschappelijken ondergang op. Het medenemen van vrouw en kinderen is in dergelijke gevallen misdadig te noemen.
  3. De aan individueele emigratie verbonden nadeelen kunnen grootendeels worden ondervangen door vestiging in groepsverband. Dit is mogelijk voor betrekkelijk kleine groepen als deelpachter op groote landgoederen. Grootere groepen zouden zich kunnen vestigen door aankoop of in sommige gevallen door pacht van gronden in een bepaalde streek. Aan de vestiging van grootere groepen als zelfstandige landbouwers in een streek, waar uitbreidingsmogelijkheden bestaan, is om economische en sociale motieven verre de voorkeur te geven. De groep dient dan uit zooveel mogelijk homogene elementen te bestaan en in organisatorisch verband te worden gebracht.
  4. In het algemeen is aan koop van grond de voorkeur te geven boven pacht. Onder de huidige omstandigheden kan het pachten van grond voordeelen bieden, gelet op de betrekkelijk hooge koopprijzen en de onzekerheid met betrekking tot de waarde van de nationale munt in Brazilië; bovendien zijn de moeilijkheden om de vestiging te financieren bij koop aanzienlijk grooter. Mogelijkheden om een belangrijk gedeelte van de voor de financiering benoodigde geldmiddelen in Brazilië te vinden zijn aanwezig. De rentestandaard is echter in het algemeen zeer hoog.
  5. De landbouwbedrijven zijn in Brazilië in het algemeen veel grooter en de opbrengsten per H.A. lager dan in Nederland. Gelet op de financieringsmoeilijkheden kunnen de bedrijven, die aan Nederlandsche emigranten ter beschikking worden gesteld – naar Braziliaanschen maatstaf gemeten – slechts zeer klein zijn. Om op deze bedrijven een redelijk bestaan te verdienen zal de exploitatie door vakbekwame boeren en op meer intensieve wijze dan in Brazilië in het algemeen gebruikelijk is, moeten plaats hebben. In de meeste gevallen zal de grond moeten worden verbeterd. Voor de vaststelling van de minimale bedrijfsgrootte het aangeven van de wijze van verbetering van den bodem en het inrichten van de bedrijven op de meest rationeele wijze zijn wetenschappelijke studie en practische ervaring gedurende eenige jaren noodzakelijk.
  6. Alvorens tot groepsvestiging kan worden overgegaan is een nauwkeurig en verantwoord onderzoek van de betrokken streek noodzakelijk ten aanzien van bodem en klimaat, afzetmogelijkheden en sociaal-culturele omstandigheden. Indien tot groepsvestiging wordt overgegaan is het gewenscht overeenkomstig de Braziliaansche wetgeving een “cooperativa” op te richten, die financiële en technische leiding geeft. Tegelijk dient een afzetorganisatie in het leven te worden geroepen.
  7. Aangezien de mogelijkheid bestaat, dat Brazilië een bestaan kan bieden voor duizenden Nederlanders als kleinere, maar zelfstandige land- en tuinbouwers, is een ernstige poging, om de zeer vele aan emigratie naar dit land verbonden moeilijkheden te overwinnen en het nemen van een proef op voldoend groote schaal, verantwoord. Deze proef dient een aantal van 200-300 gezinnen te omvatten; de vestiging daarvan moet worden voorafgegaan door een kleinere groep van 20-30 pioniersgezinnen. Voor het slagen van de proefonderneming is de aanstelling van een of meer landbouwkundigen voor onderzoek en voorlichting als bedoeld onder 5 en 6 noodzakelijk. De aan het nemen van een proefneming gepaard gaande kosten zijn aanzienlijk lager dan die, welke moeten worden besteed aan de stichting van bedrijven op nieuwe gronden in Nederland.

 

Bronnen: Rapport W. van Beers, J.G. Heymeijer en C. van Steen (Rio de Janeiro), 12 februari 1947, in: NA, Archief Voorlopers NED, inv.no. 121; J.G. Heymeijer, ‘Over de voorgeschiedenis van de Nederlandse boeren-emigratie naar Brazilië. Holambra, 1948-1973’, mei 1973, p. 6, [0655] in: NA, Archief Heymeijer, inv.no. 7; Boer en Tuinder, 12 april 1947.