De reis naar Zuid-Amerika

De vorige bijdrage op deze website over de ellende in de kolonie Gonçalves Juniór trok de nodige aandacht. De schrijver van het stuk had geen geld om zijn dierbare familieleden een brief te schrijven en gaf daarom een inkijk in de barre werkelijkheid in de kolonie door middel van een ingezonden stuk in de krant. Andere emigranten hadden meer geluk en slaagden erin om op kosten van de Nederlandse staat te repatriëren. Dit was ook het geval met W. Groeneveld uit Dordrecht die na terugkeer in Nederland op 27 augustus 1910 verslag deed van zijn ervaringen in Gonçalves Juniór in de Dordrechtsche Courant. ‘Laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt’, zo eindigde hij.

Daar ik ruim een jaar in Brazilië ben geweest, wil ik gaarne iets mededeelen over hetgeen wij daar hebben moeten ondervinden.

De 21sten Juli 1909 vertrokken wij per stoomschip “Frisia” van Amsterdam en stoomden in 19 dagen naar Rio de Janeiro. Wat eten en drinken betreft, hadden wij op het stoomschip niet te klagen, dit was alles zeer goed. Toch valt het reizen als derde klasse passagier onder zooveel vreemde volkeren niet mede. Te Rio de Janeiro aangekomen, werden wij in kleine bootjes ontscheept en afgezet op een nabijzijnd eiland, Bloemeneiland genaamd, waar groote emigrantenhuizen staan. Ook daar hadden wij geen klagen; alles was er helder en zindelijk en het eten was goed.

Groep Hollanders
Een groep Hollanders voor hun huisjes in Gonçalves Juniór

Bij aankomst te Paranágua kregen wij weer huisvesting in een emigrantenhuis, een open schuur. Onze slaapplaatsen waren biezen matten op houten planken, en het eten was er zoo karig en slecht, dat de kinderen dikwijls van honger schreiden. Daarbij kwam nog, dat de aangestelde bestuurders van die emigrantenhuizen ons zooveel ze maar konden plukten en bestalen. Bovendien zijn die schuren onrein. Na een zeer kouden en slapeloozen nacht te hebben doorgebracht, kregen wij ’s morgens tot ontbijt slechts één broodje met zwarte koffie, de kinderen een half; ’s middags zwarte boonen met half gare rijst, een stukje vleesch, zoo taai, dat men het nauwelijks kon gebruiken; ’s avonds weer één broodje met zwarte koffie. Men kan zich dus wel eenigszins voorstellen wat voor een leven wij in zulk een schuur leidden.

Na een dag of zes in Paranágua te hebben doorgebracht, begaven wij ons op weg naar Curitiba, waar ons dezelfde lotgevallen wachtten. Ja, het werd eer slechter dan beter op; om brood werd zoo gevochten, dat de hulp van vier politiedienaren moest worden ingeroepen om de wacht te houden en de hongerigen rustig te houden. De reis van Paranágua naar Curitiba duurde 10 uur, na nog 10 uur sporens kwamen wij te Ponta Grossa aan, waar ons een nog verschrikkelijker leven wachtte. Een dag of 6 vertoefden wij te Ponta Grossa en werden toen vervoerd naar Iratí, het einde van de spoorreis. Na een dag of acht gingen wij weer op weg; een hotsende wagen, met zeven paarden bespannen, bracht ons naar het eindpunt, de “kolonie Gonçalves Junior”, waar wij ons geluk konden beproeven.

Men kan zich voorstellen, dat zulk een reisje recht aangenaam is! Een weg van ruim 4 uur rijdens, met groote steenen, knoesten hout en boomwortels bezaaid, leidde naar het doel van onze reis, waar wij hongerig en geradbraakt aankwamen in het laatste emigrantenhuis. In dit laatste emigrantenhuis bleven wij vijf weken; vandaar ging het naar de eigenlijke plaats van bestemming, waar ons land en een huisje werd aangewezen als onze toekomstige woonplaats. Wat hadden wij veel geleden voor wij in de kolonie aankwamen.

Een emigrantengezin voor hun onderkomen
Een emigrantengezin voor hun onderkomen

Elke emigrant krijgt 20 à 25 H.A. zwaar boschland, met een huisje van ruwe planken gebouwd, ter lengte van 6 M. en 4 M. breed. Zolders vindt men er niet; de dakpannen worden gevormd door een soort boomen. Vier luiken vervangen de ramen, daar glas voor den emigrant niet te verkrijgen is. Toch duurde het, met twee man, nog vier dagen, eer mijn huis gebouwd was. Van het z.g. dak had men weinig of geen beschutting; als het regende kon men even goed buiten blijven. De slangen oordeelden het niet noodig om door de deur binnen te komen, maar kwamen onder de vloer door; vliegende mieren nestelden zich in de kap van ons huisje, enz., enz. Daar het zwaar boschland was, dat wij gekregen hadden, kostte het veel arbeid en groote inspanning, eer wij een klein stukje in orde gebracht hadden, gereed om te bezaaien en te beplanten.

Gelukkig waren wij door onzen agent Herwijn uit Den Haag omtrent alles goed ingelicht. De regeering, vertelde hij o.a., zorgt voor al het zaaizaad. Nu, ik ontving dan ook vijf zakjes zaaizaad, elk inhoudende de waarde van ongeveer 2 cent, dus te zamen 10 cent, 23 legaardappelen om te pooten en 4 liter maïs. Bedden behoefden wij niet mede te nemen, want de kapok groeide er zoo maar voor het plukken, maar waar, dat wist niemand. Ook kreeg men een half jaar ondersteuning, tot de eerste schoof getrokken was van het gekregen zaad. Verder zou men, in de kolonie aangekomen, een stukje grond vinden, dat voor ons eigen gebruik geheel gereed lag om te bezaaien. Maar hoeveel malen wij wel niet gevraagd hebben waar dat stukje land met ons huisje lag, is ontelbaar.

Zooals men ons beloofd had, zouden we 6 maanden ondersteuning krijgen, doch voor die ondersteuning moesten wij hard werken, want in plaats van dadelijk op eigen land te mogen gaan werken, zooals gezegd was, moesten wij aan de door de bosschen aangelegde wegen arbeiden. Dit was als volgt geregeld: Had men een groot gezin, dan moest het hoofd van het gezin elke maand 28 dagen aan genoemde wegen werken. Daar ik twee kinderen had, die samen voor één man mochten arbeiden, moesten wij dus met ons drieën 14 dagen per maand arbeiden ten voordeele van een ander. De ondersteuning bedroeg 98 Milreis of ƒ 73 per maand. Doch geen cent van dit geld, dat wij toch eerlijk verdiend hadden, kwam ons in handen. Wij kregen er een boekje of bons voor. Op vertoon van deze bons konden wij dan in een der twee winkels onze dagelijksche benoodigdheden bekomen. Hoe billijk men ons in die winkels behandelde, blijkt wel uit de volgende prijzen: 1 pak lucifers 90 cent; 1 lampeglas 112,5 cent; 1 kan pertroleum ƒ 0.60; 22 kilo blom om brood te bakken ƒ 3.50; 1 kilo spek, meer zwaard en zout dan spek, ƒ 1,05; 1 kilo witte suiker, zoo wit als in Holland de bruine, 60 cent; 1 kilo koffie 90 cent, en als ze dan nog maar goed geweest was, doch ze bestond grootendeels uit chichorei; 1 L. zout 22,2 cent, voor vet, dat soms in het geheel niet te gebruiken was door zijn benauwde lucht, betaalden wij ƒ 1.35 per kilo; 10 L. zwarte boonen, wel 4 jaar oud en vol met levende beestjes, kostten 75 cent. Boter en kaas was voor ons niet te bekostigen, ½ pond boter kostte ƒ 2.25. Huisgezinnen zonder jongens, die in staat waren mede te arbeiden, waren er nog erger aan toe. Dan moest vader bijna de geheele maand aan de wegen werken, zoodat van het bebouwen van hun eigen land niets kwam.

Zoodra de eerste zes maanden verstreken waren, hield de ondersteuning op. Aan de wegen behoefde dan niet meer gewerkt te worden, doch van ons eigen land was dan natuurlijk nog niets te halen. Zij, die geen kleeren of andere zaken uit Holland meegebracht hadden om te verkoopen, waren aan den hongerdood blootgesteld. Ach, wij liepen allen rond als schapen, zonder herder, zoekende en schreiende om water en brood, terwijl wij dachten aan ons dierbaar vaderland en aan allen die ons lief waren.

Velen hadden reeds dooden te betreuren; ook wij, ouders, moesten binnen een half jaar drie onzer dierbare kinderen grafwaarts brengen. Hoe menige kranke lag te wachten op hetgeen zij noodig hadden, doch er was niets te bekomen, en wij, als nabestaanden, stonden daar machteloos tegenover. In de meeste gevallen was doktershulp bijna niet te verkrijgen, en woonde men ver van de kolonie af, dan in ’t geheel niet. Een huisgezin met acht zieken kon zich slechts drie maal daags met wat droge zwarte boonen, zonder vet, voeden. Van één flesch medicijn moesten 1 maal per dag een lepel nemen, wat slechts mogelijk was, doordat hun hetzelfde scheelde. Ter versterking kregen zij nu en dan een stukje apenvleesch. De schoonzoon dier ouders had gedurende zes weken zware typhuskoortsen. Den dag voordat de ongelukkige stierf, troostte de dokter de arme menschen met de woorden: “Morgen is Hagebout beter”, doch helaas, toen de dag van morgen was aangebroken, was Hagebout niet meer en liet een jonge, treurende weduwe achter. Veel, zeer veel wordt er geleden. Velen voeden zich met gepofte maïskolven; zoowel kinderen als ouders loopen barrevoets en met slechts weinig kleedingstukken aan, want alles is aan de Braziliaan verkocht, die nu, door den nood der kolonisten, die vroeger nooit genoten weelde leeren kennen van goede kleding aan te hebben.

Het land, dat met groote inspanning is bezaaid, heeft niets opgeleverd, door de vernieling van ratten, muizen, apen, groote mieren, slangen, hagedissen, enz., enz. Allen, die dan ook nog maar eenig geld hebben of iets bezitten om te verkoopen, vluchten zoo spoedig mogelijk uit dit onherbergzaam oord en haasten zich te Santos te komen, om met een der schepen van de Hollandsche Lloyd naar hun vaderland terug te keeren. Duizend maal dank aan onze regeering voor hare goedheid, om aan vele arme, ellendige landgenooten een vrijpas te geven!! Hoevelen hebben wij er echter in groote ellende moeten achterlaten.

Toch zijn er wel gezinnen, die het daar kunnen uithouden, als wij maar lieve vrouwen en kinderen hebben, die dan veel ten geschenke krijgen van de bestuurders of van den dokter. Sommigen een gezadeld paard, anderen 100 Milreis, weer anderen schoenen van 30 à 40 Milreis of een sjaal, en dergelijke dingen meer, welke geschenken van de andere emigranten gestolen waren. Elke emigrant was volgens wetboekje en belofte 600 reis of 45 ct. daags beloofd, maar was men eenmaal in de kolonie, dan kreeg men slechts 300 reis of ƒ 0.22,5, en daarbij nog de billijke behandeling van den winkelier.

Voor ons vertrek echter werd er een kleine school geopend, maar daarmee was ’t droevig gesteld, daar de schoolmeester de jongens niet kon verstaan en de jongens den meester niet. Om hen dan tot stilte te manen werd er een groote bel geluid. Sommigen werden door de bestuurders gedwongen aan hunne bloedverwanten en bekenden te schrijven, dat zij vijvers met eendjes voor hun huisje hadden, hoewel niemand ooit iets van vijvers of eenden gezien had. Vele welgestelden zijn de kolonie doodarm ontvlucht, anderen hebben hunne lieve vrouwen en kinderen opgeofferd, maar toch zijn er nog menschen, die, alhoewel zij in de diepste ellende verkeeren, nog trachten anderen tot hunne dwaasheid en ellende over te halen.

Dank aan de kloosterbroeders in den vreemde, die mijn gezin in den nood op de thuisreis van geld en voedsel voorzagen. Ook hartelijk dank aan den Hollander, den heer Bergsma, te San Paulo, die onze reis door zijn hulp, gaven en vriendelijke raadgevingen tot het einde deed gelukken. Ten slotte nog een waarschuwing aan alle Nederlanders: laat u niet verleiden, opdat gij niet, evenals wij, in dezelfde ellende en armoede gestort wordt.

Nogmaals dank, geachte redacteur, voor de verleende plaatsruimte.

W. Groeneveld van Dordrecht

 

De ellende in Brazilië

Aan de stichting van Carambeí in 1911 ging een mislukte kolonisatiepoging in Gonçalves Júnior – eveneens in Paraná gelegen – vooraf. Zij hadden zich in de jaren 1908-1909 in Brazilië gevestigd in de hoop daar een beter bestaan te vinden. Onder hen bevonden zich veel Rotterdamse dokwerkers die ontslagen waren na een havenstaking. De kolonie werd een mislukking. De meesten werden uiteindelijk gerepatrieerd door de Nederlandse overheid. Enkelen van hen – waaronder de familie van de gebroeders Leendert en Jan Verschoor uit ‘s-Gravendeel – trokken verder en vormden in 1911 het begin van Carambeí. Over de ontberingen die de emigranten hebben ondergaan in Gonçalves Junior is was lange tijd weinig bekend. Vooral dankzij de naspeuringen van Ruth en Willem Kiewiet weten we sinds enkele jaren meer over de “rampzalige emigratie” van 1908-1910. Velen hebben hun “Braziliaans avontuur” niet overleefd. Vanwege de vele echtgenotes van emigranten die er het leven lieten, stond de kolonie bekend als het “vrouwenkerkhof”.

Zo’n 20 jaar geleden trof ik in een landbouwweekblad een brief aan van een emigrant die verslag deed van de door hem en zijn familie beleefde ellende in Gonçalves Júnior. Hij schreef deze brief aan de Nieuwe Delftsche Courant. Hieronder volgt de letterlijke weergave van deze ingezonden brief. Voor de in de tekst genoemde plaatsnamen is de huidige spelling gebruikt.

COHNIA CONCALVIS, 27 april 1910

Waarde ouders, broeders en zusters en vrienden,

God zij dank kunnen wij nu eindelijk iets schrijven aangaande ons gezin en onze toestand. De reden, dat ik dezen brief aan uw adres stuur is, dat wij geen geld hebben om meer brieven te schrijven. U zal dan wel zoo goed willen zijn, om er onze ouders van te verwittigen, hopende, dat wij spoedig iets van U zullen hooren. Wij bidden God dat Hij U allen in beteren staat laat, dan wij zijn. Liever schreef ik mijn toestand niet, maar ter wille van de waarheid ben ik verplicht het te doen, hopende, dat U het als ingezonden stuk in een der couranten kan laten plaatsen.

Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie
Opening van de Kolonie Gonçalves Júnior in 1908. Een groep Nederlandse immigranten voor de winkel van de kolonie

Onze reis met de boot naar Brazilië was goed. In dit land aangekomen, landden wij te Rio de Janeiro, wat een ware lusthof is. Hier zijn wij 8 dagen gebleven. Het wordt het “Bloemeneiland” genoemd, en het verdient dien naam ten volle. Het is een waar paradijs. Daar vandaan zijn we op eene kustboot gegaan, 3 dagen en 3 nachten lang. ’s Nachts moesten wij op het dek slapen met het huisgezin en al de emigranten, zonder voldoend eten. Toen werden wij emigranten ondergebracht te Paranágua. Eten zeer slecht; ligging op een brits; een matje diende voor bed, dat krioelde van onrein. Drie nachten daar vertoeft hebbende, werden wij per spoor verder vervoerd naar Curitiba. Ook daar in een emigrantenhuis ondergebracht. Het was er nog slechter dan in Paranágua. Na er 5 dagen en nachten te hebben gebivakkeerd en knapjes in het ongedierte gezet te zijn, moesten wij per spoor weer verder naar Ponta Grossa in een emigrantenhuis. Ligging bijna op de planken en voeding niet voldoende. Na 4 à 5 dagen weer per spoor verder, naar Iratí, waar wij het een weinig beter hadden dan in de vorige barak (is emigrantenhuis). Een nacht daar geslapen hebbende, zijn wij ’s morgens met twee andere huisgezinnen op een wagen weggebracht met 6 paarden ervoor, en vervoerd naar de kolonie Conçalves.

Toen dachten we, dat het leed geleden was, maar helaas! Nu begon het eerst recht. In de kolonie aangekomen, werden wij ingeschreven als kolonisten. Er werd mij een waalle of bewijs gegeven, dat ik voor 45 Meil [Milreis] aan levensbehoefte kon halen in een winkel, daarvoor aangewezen. Voor die 45 Meil moest ik 13 dagen van de halve maand wegen helpen maken, zoodat ik maar een dag over heb, om op eigen land te werken. Nadat mij alles was uitgelegd, werden wij weer in een emigrantenhuis gebracht, waar reeds 6 gezinnen bijeen waren. Toen wij daar een paar dagen waren, bivakkeerden wij er met 18 groote huisgezinnen en dat zoo 3 volle maanden. Ook op de planken; een stroomat voor ligging, vuil en stinkend. In zoo’n barak geen gelegenheid voor de vrouwen om te wasschen, ook niet om te koken. Men moest daar een put in den grond maken, bij wijze van een veldkeuken. Als het regende, ging je vuur uit; zoodoende had men dikwijls ongaar eten of brood, zoodat door al deze omstandigheden bij elkaar veel zieken in de barak waren. Het is gebeurd, dat wij 3 maal per week naar het kerkhof gingen met een kinderlijkje. Goddank, heb ik nog allen bij elkander, alhoewel ook wij ons deel gekregen hebben. S. werd daar zwaar ziek in de barak; typhuskoortsen. Ik ben hem zelf moeten oppassen, want er is geen dokter in de kolonie. Er is er wel een; maar deze is daar niet gevestigd, zoodat als hij kwam, dat een welwillendheid van hem was. Na 6 weken begon S. op te knappen, maar toen werd mijn vrouw ziek. Dat liep nogal los; doch ikzelf zat vol zweren en twee andere kinderen waren ook erg ziek. Kortom, wij zijn allen in die barak ziek geweest. 6 December kwamen wij er in, en 9 maart ging ik naar mijn land toe met mijn gezin. Daar kwamen wij in onze nieuwe woning, 6 meter breed en 4 diep; één vertrek, geen zolder; 4 luiken bij wijze van ramen; geen glas er in en alles slecht betimmerd, want de Brazilianen kloven de planken uit de boomen, niet zagen. Dus het woninkje wel!

De genoemde 45 Miel noemt men ondersteuning van de Regeeringen als men dan een half jaar op zijn land zit, wordt dat geld ingetrokken, en dan moet men maar zien, hoe men verder leeft, iets, dat niet bestaan kan, zoodat de toekomst er voor ons donker uitziet. Alle boekjes en geschriften, die ik als reclame voor Brazilië van mej. van Herwijnne gekregen heb, en al haar spreken zijn allemaal grove leugens. Het leven hier is voor een kolonist in elk opzicht allertreurigst, zoodat wie kans ziet ontvlucht uit dit donkere land. Wie nog wat geld meebrengt, schiet het er bij in; en zij, die het niet hebben, krijgen te weinig om te leven. Een Miel is 75 cent Hollandsch geld. Alles is hier zeer duur; 60 centen voor een pond rijst; suiker 30 cent; 1 pond bloem 45 ct.; 1 pond spek 75 ct. Over kleeding zal ik maar niet spreken, zoo duur als die is. Schoenen van 10 tot 15 Miel, zoodat ik met het geheele gezin barrevoets loop. Het hoofdproduct voor levensbehoefte zijn zwarte boonen en omdat die het goedkoopste zijn, eten wij ze 2 à 3 maal daags uit het water, en als ’t kan een uitje er bij. Een pond uien kost 37½ ct. De werktijd aan de wegen is niet lang: van 8 tot 11 en van 1 tot 4. Maar dan moet men een paar uur loopen, berg op, berg af en dan ben ik nog al dicht bij mijn werk! Van onderwijs is men totaal verstoken. Er is wel een school, maar geen onderwijzer; ook een kerkgebouw. De toestand is zoo treurig, dat ik iedereen ten sterkste afraad naar Brazilië te emigreeren.

Nederlandse immigranten bij de opening van de Pinho-lijn op 13 december 1909.
Nederlandse immigranten bij de opening van de Pinho-lijn op 13 december 1909.

Nu ben ik op 9 maart op mijn land aangekomen; dan is het hier geen zaaitijd. In mei is ’t winter en in augustus de tijd om te zaaien en te planten. Dus van 9 maart tot en met 9 augustus, dat zijn 5 maanden, ben ik nu op mijn land. Derhalve op 9 september houdt de ondersteuning op, waarvoor ik evenwel mijn arbeid aan de wegen geleverd heb. Dan mag ik daaraan ook niet meer werken, want dan komen weer nieuwe emigranten die mijn plaats innemen en denzelfden lijdensweg moeten afleggen! Laat ons maar hopen, in alle armoede, die wij doormaken, dat, achter de zwarte wolken, ook voor ons nog eens een zonnetje mag doorbreken. O, als U een kijkje kondt nemen van ons huisgezin! Hoe armoedig onze tronie en onze kleding is. O ja, een kiekje door de regering aangeboden en alom verspreid ziet er uitstekend uit; maar dat is eene voorstelling van 8 à 9 ontwikkelde menschen, die op zeer vrijen voet verkeeren met jonge meisjes van de kolonisten of van hun vrouwen, die er mee gediend zijn. Van zulke lui wordt dan een kiekje genomen voor het kantoor van de kolonie en dan ziet men tevreden, volle gezichten tusschen wat bloemen en planten, maar die tevredenheid is de vrucht van onzedelijkheid met die commissieleden, waarvoor de slachtoffers Waalles in ruil krijgen en dan weer volop kunnen halen in den winkel, terwijl mijn vrouw en zoovele andere tevergeefs gaan bedelen om wat boonen of andere onmisbare levensbehoeften. Melk kost 35 ct. per busje, zoodat wij die kunstmatige melk nooit hebben; ze is voor ons te duur!

Mocht u dus soms een kiekje zien, aangeboden door de regeering, vertrouwt dan daar niet op; het is alles bedrog, om nog meer menschen tot slaven te maken. Er is hier geld, maar erg schaarsch. Het is hier alles ruilen en zoo komt het ook, dat ik geen geld heb. Want de Brazilianen weten, dat het armoe met ons is, en trachten nu door met je te ruilen voor het een of ander, je heelemaal uit te kleeden. Met groote moeite heb ik een jas en een vest verkocht voor 8 Miel, waarvoor ik wat versterkende middelen opdeed voor een door mijner kinderen, die het van den dood heeft opgehaald. Mijn vrouw heeft een mantel geruild voor aardappelen. En zoo gaat hier elke emigrant den grond in en de Braziliaan komt er boven op.

Ter wille van de ellende, die wij hier doormaken, schrijf ik deze brief in alle vrijmoedigheid. Nu nog iets bijzonders over mij zelve. Ik zat vol zweren. En daarvan begon het in mijn lenden erg te steken. Mijn vrouw bekeek dat zaakje eens goed en zag er leven in. Zij haalde er een witten worm uit, met behulp van een anderen man, die de wond bij elkander kneep. Na verloop van 8 dagen heeft mijn vrouw er 81 uitgehaald met een naald, zoodoende ben ik het gevaar ontweken, waar de Brazilianen zoo bang voor zijn. Ik heb nog 15 centen, welke ik gekregen heb van een Braziliaan, welken ik toestond wat thee te plukken van ’t bosch, waar ik woon.

Na U Gods besten zegen te hebben toegewenscht uit het donkere Brazilië aan allen vaarwel!

 Uw vriend, X.

Literatuur:
Willem Eltje Kiewiet e Ruth Los-Kiewiet, A Colônia de Gonçalves Júnior (Irati / (Paraná)) – A Imigração Holandesa de 1908-1909 no Brasil (2011). [PDF]Willemien Schenkeveld, Red mij voordat mijn hele gezin is gestorven. De rampzalige emigratie naar Brazilië, 1908-1909, in: Geschiedenis Magazine 46 (oktober 2011), nr. 7: 20-23.
De foto’s zijn afkomstig uit het boek van Kiewiet (2011).

Reisindrukken van een oud-planter (5)

In zijn derde brief aan het Indische weekblad De Bergcultures, welke op 22 januari 1938 in het blad verscheen, ging Roeland Vermeulen verder met zijn beschrijving van het leven op Carambeí. Hoewel hijzelf katholiek was en zijn dochter op een katholiek internaat in Ponta Grossa plaatste, was hij goed bevriend met de dominee van de kolonie, William Muller.

School, Kerk enz.
De kinderen der kolonisten ontvangen het hoogstnoodige Nederlandsche onderwijs in een schooltje, dat door de kolonie zelf werd gebouwd. Als leerkrachten zijn aanwezig een hoofdonderwijzer uit Nederland [1], terwijl de echtgenoote van den meester in de rechten, die vroeger onderwijzeres te Amsterdam was, eveneens les geeft. De verplichte vakken in het Portugeesch worden door eene onderwijzeres met akte Portugeesch gegeven. Aangezien wij persoonlijk wat het onderwijs betreft hoogere eischen stellen, deden we ons dochtertje van acht jaar op een R.K.-internaat van Duitsche Zusters te Ponta Grossa. Zij zal daar zeker onder Duitsche en Braziliaansche meisjes van goede familie èn het Duitsch èn het Braziliaansch grondig leeren, hetgeen hier wel een vereischte is, vooral voor de jeugd, die hier haar carrière wil zoeken. Het is voor ons ouderen een groot inconvenient [ongemak], als men geen Braziliaansch spreekt of verstaat. Dat ondervindt men telkens, als men in de steden vertoeft. Op Carambehy komt van deze studie vrijwel niets, omdat uitsluitend Hollandsch gesproken wordt en men slechts sporadisch Brazilianen ontmoet, zoodat de gelegenheid om de taal te leeren spreken practisch niet bestaat. Het R.K.-internaat te Ponta Grossa heeft een uitstekende reputatie, het is van eerste standing en er wordt goed onderwijs gegeven. De totale verpleegkosten, inclusief schoolgelden, boeken, baden, muzieklessen enz. bedragen voor ons dochtertje maandelijks slechts f 20 totaal, hetgeen dus wel heel billijk is.

Het meerendeel, der Nederlandsche kolonisten·is aangesloten bij de Ned.-Herv. Kerk-gemeenschap. De kolonie bezit een eigen kerkje·en de godsdienstoefeningen worden geleid door Ds. Muller, een humaan en hulpvaardig mensch, die zijn volle energie aan de koloniebelangen geeft, en die dan ook de algeheele sympathie geniet van zijn gemeente. Zijn houding en standpunt tegenover de andersdenkenden zijn hoogst sympathiek. Ook zijn eega verdient en geniet alle achting en is hier zeer bemind. Als oud-verpleegster staat zij iedereen en, op elk uur van den dag bij en bewijst zij groote diensten aan het algemeen belang. De Heer en Mevrouw Muller zijn een groote stuwkracht en van onschatbare waarde voor deze kolonie en het is dan ook te hopen, dat zij hunne krachten en energie nog vele jaren aan het koloniebelang zullen blijven wijden.

Het is een zeer gelukkig verschijnsel, dat de kolonie èn door de school èn door de kerk haar Nederlandsch karakter zoo zuiver bewaard heeft en zeker ook in staat zal zijn dit te blijven doen. Verscheidene jongens en meisjes komen reeds op huwbaren leeftijd en het is een verheugend feit, dat in den laatsten tijd meer nieuw bloed in de kolonie is gekomen, daar de onderlinge huwelijken der oorspronkelijke kolonisten, die veelal familie van elkaar waren, op den duur degeneratie van het ras tot gevolg zouden hebben.

Opzet voor nieuwe kolonisten, transportmiddelen enz.
Voor degenen, die van het landleven houden, is hier een rustig en tevreden bestaan te vinden, te meer, daar het klimaat zoo gezond is. Malaria noch mijnwormziekte of gele koorts komen hier voor. Wel wordt men hier in den zomer door zandvlooien geplaagd. Deze onaangename diertjes hebben de onhebbelijke gewoonte in de huid der voeten, liefst vlak bij of onder de nagels te dringen en daar hun eitjes te leggen. Gelukkig zijn ze er gemakkelijk uit te halen en krijgt men daarin snel de noodige routine. Door het dragen van hooge laarzen en het dagelijks controleeren der voeten kan men deze plaag tot een minimum beperken. Zoodra het kouder begint te worden verdwijnen de vlooien vanzelf.

Het beste transportmiddel in de kolonie is “paard” of “paard en wagen”. De kolonisten zijn in doorsnee uitstekende ruiters en kleine jongens en meisjes van 7 à 8 jaar rijden als volleerde circusartiesten. Zooals reeds werd beschreven is het land een mooi heuvelachtig grasland, afgewisseld door vlakten en doorsneden met vele grootere en kleine rivieren, waarlangs bosch groeit. De vergezichten zijn schitterend en de zonsondergang bij bewolkten hemel is inderdaad uniek.

De ervaring heeft geleerd, dat ca 50 ha voor een veehouder, die intensief wil werken (d.w.z. met aanleg van kunstweiden, voldoende bouwland voor maïs e.d., benevens groenvoer, boomgaard, groentetuin, aardappelenverbouw, pluim- en kleinvee o.a.) volkomen voldoende zijn. De werkkrachten zijn hier duur en schaarsch, vooral in vergelijking tot de normale uitgaven voor levensonderhoud. Men betaalt hier voor een boerenknecht met vrouw 300 milreis per maand, doch men is tevens verplicht voor deze menschen een eenvoudige woning te bouwen, welke op circa 4 à 5 conto’s komt te staan. Het aanbod is uiterst gering en men dient tevreden te zijn met hetgeen men krijgen kan. Dagloonen bedragen hier 10 milreis per dag. Dagelijks slaken we dan ook de verzuchting: “hadden we maar een paar onzer trouwe Javaantjes ter beschikking” en inderdaad . denken we met heimwee terug aan deze gewillige en vlijtige arbeidskrachten. Iedereen, die hier vooruit wil komen, moet zelf meewerken, zoowel de Heer als de Vrouw des huizes en dit is voor ons oud-Indischgasten wel een tegenstelling met de groote verwennerij in Indië.

Het leven hier heeft echter zijn groote bekoring en men went snel aan deze nieuwe leefwijze, welke geheel op Noord-Amerikaansche wijze is ingericht. De heerlijke “vrijheid”, welke men hier geniet, vergoedt zooveel, dat men de inconveniënten van het nieuwe bestaan gaarne op den koop toe neemt. Families met groote gezinnen zijn hier zeker op hun plaats, daar zoons en dochters door de personeelsschaarschte van groote waarde zijn. De oudste kolonisten-families tellen meestal 9 à 12 kinderen en zelfs meer en dat is in deze omgeving zeer normaal. De onderlinge samenleving is gezellig en men houdt op zijn tijd van een pretje. We maakten hier een picnic mede, waaraan oud en jong deelnamen en men amuseerde zich kostelijk.

Het Kerstfeest in de Kerk werd door oud en jong op eenvoudige, doch waardige wijze gevierd en wij hebben slechts bewondering voor hetgeen de promotors van dit mooie feest met bescheiden middelen bereikt hebben. De organisatie liet niets te wenschen over. Ook de a.s. groote gebeurtenis in ons Koninklijk Huis zal hier feestelijk worden gevierd [2]. Een feestcommissie is reeds doende het feest-programma voor te bereiden en als straks in het Moederland en in Ned.-Oost- en -West-Indië feest gevierd wordt, zal het handjevol oprechte Hollanders hier in de binnenlanden van Zuid-Brazilië zeker niet nalaten hunne beste wenschen uit te spreken en mee te jubelen ter eere der beminde Prinses en haar kindje…

Behalve de veeteelt en landbouw kunnen hier m.i. de varkensteelt, aardappelen en graangewassen en mogelijk ook de ricinuspittencultuur loonend beproefd worden. Daar de kunstmest vrijgesteld is van invoerrechten, is hij hier billijk te krijgen.

Belastingen en contributies
Wat belastingbetalen betreft, is het hier een dorado. We betalen hier geen andere directe belastingen dan uitsluitend grondbelasting, t.w. 300 reis (d.w.z. ± 4 Hollandsche centen) per ha grondbezit. That is all! Na onze ervaringen in Nederland en Ned.-Indië dus inderdaad een land van belofte.

Noten.
[1] Keimpe van der Meer.
[2] Vermeulen doelde hier op de a.s. bevalling van kroonprinses Juliana. Op 31 januari 1938 werd haar dochter prinses Beatrix geboren.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (2)

Tragiek van een te klein moederland

‘Van hen wil ik geen steuntrekkers maken,’ zei boer Sanders, wijzend naar zijn drie oudste spierwitte kinderen, die heel Diessen, voor zover nog niet wakker, op stelten zetten, toen ze de bus in moesten. ‘Ik heb geen grond voor ze, wanneer ze groot worden…En naar de fabriek sturen, doe ik ze ook niet. We hebben geen ruimte meer. Bovendien komen er mij teveel vreemden op m’n erf, hier in Nederland, en iedereen steekt tegenwoordig maar z’n neus in je bedrijf…Nou, en daarom ga ik met mijn vrouw en vier kinderen naar Ribeirao…’

Sanders
Mevrouw Sanders-Versteden met Marietje, Tonia en Theodorus op de loopplank van de Algenib

Zaterdag zijn ze dan eindelijk vertrokken. Voor dag en dauw de bus in, die hen via Den Bosch naar Antwerpen brengen zou. Het was voor deze Oost-Brabantse en Noord-Limburgse gezinnen de dag van hun leven. De meeste emigranten waren gewone, vrij gegoede boerenmensen; enkel andere landverhuizers gingen mee als vaklui voor de nieuwe kolonie, terwijl een der weinige Hollanders bij deze groep zijn bekwaamheid als bosbouwkundig ingenieur in dienst van de Nederlandse gemeenschap te Ribeirao zal gaan stellen. De emigratie naar Brazilië, onder auspiciën van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond verschilt van de andere emigratie hierin dat Brazilië kolonievorming toestaat en bovendien door credieten de emigranten op betrekkelijk belangrijke wijze in de aanvangskosten tegemoet komt.

Al deze Nederlanders keerden voorgoed op deze zaterdag hun smalle akkers in het moederland de rug toe. Het was dezelfde smalle grond, welke hen generaties lang had gevoed, welke steeds weer op een nieuwe generatie van vlijtige, sober levende boeren was overgegaan. Thans was deze grond…te klein geworden. Niet zozeer voor hen zelf, alswel voor hun kinderen. In deze groep was er slechts één, die emigreerde uit angst voor de Russen. Alle anderen zagen er voor hun kinderen geen gat meer in, waren zelf momenteel in vrij goede doen. Zij hadden alle schepen achter zich verbrand en op die zaterdagmorgen stonden zij voor het laatst in hun leeggeruimde woonkamer, liepen voor het laatst over de eigen vertrouwde grond waar hun vader en diens vader, waar geslachten vóór hen het brood voor zich en de hunnen hadden verdiend, en namen afscheid van alle bekenden in deze kleine vertrouwde dorpen.

Dat dit een zwaar uur was, bewezen wel de ogen van moeder Sanders, die met haar kleinste dochtertje op de arm (tien maanden oud) de bus binnen kwam en de andere drie, vlasblonde hummels (luidkeels huilend) met een paar sussende woorden op hun gemak probeerde weg te stellen. Zij waren nooit uit Brabant weggeweest, boer Sanders had vijftien bunder land, maar voor deze vier kinderen, het oudste vier jaar, zag hij in dit land geen toekomst meer.

En daar was de familie Theunissen uit Diessen: één zoon, en drie Brabantse “blommen” van dochters, die hun hart ondanks hun twintig lentes of meer, om de drommel nog niet aan de “new look” hadden verpand. Een van de drie dochters had nog nooit in de trein gezeten, kreeg er vlak voor haar vertrek de kans voor, zou dan tegelijk voor het eerst (en ’t laatst) van haar leven Amsterdam en Den Haag kunnen zien, en zei: ‘Och, denkt U dat ik daar zoveel wijzer van zou worden?’ Een goed, degelijk slag volk, en boer Theunissen, met 59 jaar, twee boerderijen achter latend – ‘ze doen ‘t nie van erremoej!’ – was de oudste emigrant. Toen iedereen dan in de bus zat en buiten in de eerste schemer de achterblijvende boeren onder hun stijve Brabantse petten bedachtzaam en niet begrijpend het hoofd hadden geschud over zoveel “Braziliaans onverstand”, kwam burgemeester Van Wijnhoven nog persoonlijk alle mensen de hand schudden: ‘Als ’t jullie niet bevalt, kom dan maar terug naar Diessen; we zullen jullie weer met open armen ontvangen’. En daarna kwam “Sjaak-van-Kees-Ome” (weet U wel) nog efkes, en zei: ‘Ge loat nog mar iets van oe heure, en ge èt de groete nog van de smid’, waarna Theunissen nog even het raampje opschoof en tegen de bakker riep, dat ie zijn laatste broodjes voor hem gebakken had. Het waren er overigens zóveel, dat de hele bus met wegbrengers er op de terugweg ruimschoots van gevoed werd!

In Den Bosch was nog een laatste H. Mis op Nederlandse bodem. Een goed, degelijk volk, dat daar, aan de voeten van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, afscheid kwam nemen en de zegen afsmeekte over zijn nieuwe ontzaglijke levenstaak. Van het nieuwe land hunner toekomst hadden ze alleen maar een film gezien, en na het gemeenschappelijk ontbijt, raakte Sanders al in de wereldstad Den Bosch zijn vrouw met de spruiten kwijt, en beloofde dood-zenuwachtig zijn laatste Nederlandse rijksdaalder aan St. Anthonius.

In de namiddag begon aan de Statiekade in Antwerpen – haast niemand nog had al een boot van zo dichtbij gezien – de inscheping. Ze werden er allemaal een beetje zenuwachtig van toen ze de steile loopplank naar de Rotterdamse “Algenib” opklommen, en het nieuwe leven zond reeds een overrompelende voorproef toen er even later sloepenrol gehouden werd. Maar men bleef welgemoed en een van hen zei: ‘’t Is de wereld nie uit, mar ge moet nie achterom kijke…’ Laat in de nacht verdween de kust van Walcheren achter een mistige gure winterhorizon en verloor Nederland – het waren niet de eersten, het zullen ook de laatsten niet zijn – wèèr een aantal van zijn beste en moedigste mensen.

Een stuk van zijn sterke, degelijke kern brokkelde af, ging in een ver en nieuw land waar ruimte was, een nieuwe toekomst opbouwen. Hun energieke voortrekker, de sympathieke “emigrantenvader” ir. G.J. Heymeijer, drukte hun onder doodse stilte op het hart, om ‘hard te zijn voor zichzelf, en hart te hebben voor hun medekolonisten…’ Waarna huntoekomstige Norbertijner-Pastoor, pater dr. Sijen, nog over het apostolaat sprak, als zij als Nederlandse katholieke gemeenschap te vervullen hadden, en tenslotte het ontroerende reisgebed bad…. ‘God, onze Zaligmaker, geef ons een voorspoedige reis; toon ons Heer, Uw wegen…’ In Ribeirao hopen in de toekomst meer dan tweehonderd Nederlandse gezinnen een nieuw bestaan te vinden.

De Maasbode, 20 december 1948.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (I)

Nadat enkele pioniers al vooruit waren gegaan, kwam op zondag 19 december 1948 de emigratie naar Holambra echt op gang. Op die dag vertrok vanuit Antwerpen de ms. Algenib. Volgens Boer en Tuinder begonnen de machines van het schip in het eerste uur van die morgen aan de Statiekade aan hun ritmisch gestamp. ‘De schroeven bruisten door het Scheldewater en langzaam schoof de boot in de duisternis de haven uit. In de ruimen sliep ’n kostbare lading. De eerste groep emigranten voor de Fazenda Ribeirão in Brazilië. Ruim drie weken zijn deze 32 emigranten, manen en vrouwen, vrijgezellen en kinderen onderweg naar de haven Santos. In het heetst van de Braziliaanse zomer zullen zij op de eerste kolonie van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië aankomen en direct met de arbeid beginnen.’

Afscheid emigranten Den BoschHet vertrek begon een dag eerder met een door de toekomstige pastoor van de kolonie, Godfried Sijen OPraem opgedragen H. Mis in de Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch, ten einde Gods zegen af te smeken over de onderneming. Bij het afscheid waren ook aanwezig de voorzitter en de secretaris van de Emigratiestichting van de KNBTB Gerard Kampschoër en Ruud Roborgh, alsmede Geert Heymeijer en zijn echtgenote.

De groep voortrekkers bestond uit Herman Theunissen, landbouwer uit Diessen, met echtgenote en vier kinderen, Jan van de Ven, automonteur uit Tilburg, Henk Klein Gunnewiek, landbouwer uit Hilvarenbeek, Wim Stapelbroek, landbouwer uit Diessen, Theo Borst, timmerman uit Zevenaar, W.J.J. Mulder, bosbouwkundig ingenieur uit ’s-Gravenhage, J.M.H. Hendriks, timmerman uit Nunhem met echtgenote en 4 kinderen, Jan Nabuurs, landbouwer uit Venray met echtgenote, Thomas Sanders, landbouwer uit Reusel met echtgenote en 4 kinderen, Piet Wagemaker, veehouder uit Haarlem, met echtgenote en 4 kinderen en tenslotte Frans van Riel, landbouwer uit Diessen.

Aan het vertrek van deze eerste grote groep emigranten naar Brazilië werd in de katholieke pers de nodige aandacht besteed. Op maandag 20 december 1948 publiceerde de het dagblad De Maasbode een uitgebreide reportage over deze gebeurtenis. Hierover een volgende keer meer.

Bron: Boer en Tuinder, 24 december 1948. Foto: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen

Reisindrukken van een oud-planter (4)

In zijn tweede brief in het Indische weekblad De Bergcultures beschreef Roeland Vermeulen het onstaan van Carambeí en de situatie op de kolonie, zoals hij die bij zijn aankomst aantrof. ‘Het ligt hier in het hartje van Zuid-Brazilië als een typisch stukje Holland, zóó mooi en zóó rustig en met zulke door en door kerngezonde en oprechte Hollanders, dat onwillekeurig de harten warmer kloppen,’ aldus Vermeulen.

Carambehy
In dezen brief wil ik trachten een zoo nauwkeurig mogelijk beeld te geven van de geschiedenis, den huidigen stand van zaken en de toekomstmogelijkheden van deze Nederlandsche boerenkolonie. De gegevens zijn gebaseerd op eigen indrukken, opgedaan tijdens m’n drie maanden verblijf in deze kolonie, gecombineerd met verschillende mededeelingen van den leider der kolonie, den heer Jac. Voorsluys, en tevens geput uit een rapport van den Nederlandschen consul te São Paulo van 14 November 1933.

brazilrailwaycompanyDe eerste kolonisten arriveerden circa 26 jaar geleden uit de omgeving van Dordrecht in Brazilië en kochten land van de Southern Brazil Lumber en Colonisation Company, welke tot de Brasil Railway groep behoorde [1]. Zij ondervonden vele teleurstellingen en hadden met groote moeilijkheden te kampen, doch dank zij de goede en degelijke eigenschappen van ons ras, welke juist onder zware omstandigheden het beste naar voren treden, overwon men tenslotte alles en ontstond langzaam maar zeker een mooie, bloeiende kolonie, welke thans aan een 30-tal families op eigen grond een behoorlijk bestaan geeft.

Waar de oudste kolonisten als veeboeren in hoofdzaak naar grasland zochten, vonden zij dit te Carambehy en ontwikkelde zich het melkbedrijf snel, naast landbouw voor veevoeder en voedselgewassen voor eigen gebruik. Voor het verwerken der melkproductie werd eene coöperatieve zuivelfabriek opgericht, welke reeds thans te weinig capaciteit bezit en ook niet aan de eischen van een eenigszins modern zuivelbedrijf voldoet, doordat gaandeweg de melkproductie zich in zeer stijgende lijn beweegt door het gestaag uitbreiden der kolonie en de systematische selectie van het melkvee. De afzet der geproduceerde melk, boter en kaas heeft grootendeels plaats in het nabij gelegen Ponta Grossa op ± 20 km afstand en met ca 30.000 inwoners en in de hoofdstad van den staat Parana (Curityba) met ca 140.000 inwoners.

Vooral door de verbetering van den veestapel in de kolonie is de melkproductie aanzienlijk gestegen en voldoet het min of meer primitieve gebouwtje, waarin de zuivelbereiding werd ondergebracht, niet meer aan de eischen der moderne bedrijven, te meer daar in São Paulo, Santa Catherina en Minas Geraes o.a. onder buitenlandsche leiding meerdere up to date inrichtingen voor boter- en kaasbereiding werden opgericht, welke vlotte afname van hun producten vinden op de markten van Rio de Janeiro, São Paulo, Bahia en Penambuco, groote steden met respectievelijk 3.000.000, 1.400.000, 300.000 en 400.000 inwoners.

Toch valt hetgeen door onze Hollandsche kolonisten werd bereikt alleszins te loven. De boter en kaas van Carambehy heeft een zeer goeden naam en wordt in Ponta Grossa en Curityba grif verkocht. Het zou zeker aanbeveling verdienen, dat een en ander bij de Nederlandsche Regeeringsautoriteiten werd onder het oog gebracht, zoodat meer aandacht aan deze Hollandsche kolonie werd geschonken. Het werk, verricht door een handjevol rasechte Hollanders, verdient zeker meer belangstelling, te meer daar het de bewoners dezer kolonie gelukt is in elk opzicht hunne nationaliteit hoog te houden en te bewaren. De vorige Gezant, Zijne Excellentie Mr. B.J. Hubrecht, die de kolonie persoonlijk bezocht heeft, zal dit desgevraagd zeker spontaan beamen. Het heeft ons, den heer W.F. Bisschoff, gepensionneerd luitenant-kolonel van het Indische Leger en mij, dan ook ten zeerste bevreemd, dat deze kolonie zoo weinig bekendheid geniet. Het ligt hier in het hartje van Zuid-Brazilië als een typisch stukje Holland, zóó mooi en zóó rustig en met zulke door en door kerngezonde en oprechte Hollanders, dat onwillekeurig de harten warmer kloppen en de gedachten teruggaan naar onze bakermat in ’t hooge Noorden.

Ik breng dit speciaal naar voren, omdat deze kolonie nog zoovele mogelijkheden biedt. De afzet in den vorm van consumptiemelk, boter en gepasteuriseerde kaas kan voor een ettelijke malen grootere melkproductie worden gevonden, terwijl daarnaast zeker ook de mogelijkheid bestaat van fabricatie van gecondenseerde melk en melkpoeder, waarvoor eveneens ruime afzet is. Concurrentie van het buitenland is uitgesloten, daar de invoerrechten dezer artikelen hooger zijn dan de engros-prijzen van het eigen fabrikaat. Boter en gecondenseerde melk worden dan ook niet geïmporteerd, kaas slechts in speciale kwaliteiten, welke echter peperduur zijn en uitsluitend door de meer gegoeden worden gekocht. Nieuwelingen kunnen dus met een markt rekening houden, welke meer dan beschermd is tegen buitenlandsche concurrentie, terwijl bovendien het bevolkingscijfer door den natuurlijken groei en de immigratie snel stijgt.

De kolonie ligt overigens eveneens zeer gunstig voor landbouwmogelijkheden, in een koel en aangenaam klimaat en de onmiddellijke nabijheid van de spoorlijn, welke São Paulo met Porto Alegre, de hoofdstad van den Staat Rio Grande do Sul, verbindt. Ponta Grossa breidt zich in snel tempo uit en is een middelpunt van spoor- en autolijnen. De groote moeilijkheid voor vele kolonisten in Brazilië, gelegen in de beperkte vervoersmogelijkheden hunner producten, bestaat dus voor Carambehy niet.

Ligging en klimaat
Het klimaat heeft veel overeenstemming met het Indische bergklimaat. In den zomer kan het overdag wel eens warm zijn, doch minder dan in Holland. De nachten zijn bijna steeds koel en men slaapt zelfs in den warmsten tijd practisch altijd onder een deken. Het klimaat is dan ook bijzonder aangenaam. Vriezen doet het in den winter overdag nooit. ’s Nachts kan de thermometer wel eens enkele graden onder het nulpunt gaan. De warmste maanden zijn december tot en met februari, terwijl de drie voorafgaande en opvolgende maanden even frisch zijn als in Holland de maanden april en mei. In de zomermaanden regent het veel, terwijl het in de wintermaanden Juni tot en met Augustus overdag meestal stralend zonnig weer is. In dit gezonde klimaat degenereert het Hollandsche ras dan ook heelemaal niet, hetgeen de kinderen is aan te zien. Allen zien er blozend en welvarend uit.

De hoogteligging gaat van 1000 tot 1200 meter boven den zeespiegel op ± 26° Z.B. De zeewind (Oostenwind) is overheerschend. De gronden zijn niet rijk, met name arm aan kalk, en kunnen vergeleken worden met goede geestgronden in Holland. De bovenlaag is diep en varieert van 2 tot 13 meters en meer, is goed waterhoudend en bijzonder dankbaar voor fosforbemesting. De bodemanalyse luidt: 40% grof zand, 7% fijn zand, 41% klei of leem en 12% humus. De gemiddelde verzadigingsgraad is 26, kaligetal 10 en fosforzuurgetal 0. Met kunst- en stalmest is alles van dezen grond te maken. Het terrein is één uitgestrekte, onafzienbare, glooiende hoogvlakte.

Op de koloniegronden groeien momenteel peren, pruimen, appels, perziken, sinaasappelen, citroenen, kaki- en vijgeboomen, verder aardbeien, moerbeien en bramen, welke ’t over het algemeen alle goed doen. Voor eigen gebruik worden verschillende groenten en aardappelen verbouwd. Tot op heden was echter de melkerij steeds de hoofdbron van bestaan en werd aan landbouw slechts weinig gedaan, daar het benoodigde veevoer zeer goedkoop kon worden ingekocht. Nu dit niet meer het geval is, verkeert de kolonie in een overgangstijdperk (meer landbouw), met alle daaraan verbonden moeilijkheden.

De heeren H. Borger (oud Java-rubberadministrateur) en J. van Raaij (gewezen Deliplanter) hebben een begin gemaakt met een tung (Aleurites fordii) aanplant en het ligt in hun bedoeling later een oliefabriek te bouwen ter bereiding der Chineesche houtolie. In hoeverre de tung het hier zal doen, zal de toekomst moeten leeren, daar “wind” hier een fatale factor is, welke vooral aan de jonge boompjes veel schade berokkent. Toch hebben beide planters het volste vertrouwen in de toekomst.

Beschikbaar land
De familie de Geus, de pioniers der voortrekkers, thans bestaande uit Arie, Leen en Jan de Geus en hunne zwagers, Hendrik Harms en Jacob Voorsluys, den huidigen leider der kolonie, bezitten behalve hunne eigen hoeven met bijbehoorend land helaas nog slechts een paar honderd ha grasland; dat nog voor verkoop bestemd is. Een aaneengesloten complex van ruim 5000 ha land werd indertijd gekocht door hun inmiddels overleden vader, respectievelijk schoonvader, wijlen den heer Aart de Geus. Met de weinige nog beschikbare gronden kan de kolonie zich nog maar weinig uitbreiden, hetgeen naar mijne meening zeer te betreuren is. Wel ligt in de onmiddellijke nabijheid dezer kolonie en aansluitend aan dit areaal de eveneens zeer gunstig gelegen fazenda “Areiao”, groot 5.697 ha netto en behoorende aan Dr. Altivo Leite te São Paulo, welke fazenda een schitterend geheel zou vormen met onze bestaande kolonie en nog gelegenheid te over zou bieden tot vestiging van diverse Hollandsche en/ of Indische families. Deze fazenda werd mij te koop aangeboden voor ± 350 contos de reis of ± f 42.000.- in Hollandsch geld. Dit zou zeker een mooie geldbelegging zijn voor een kapitaalkrachtig lichaam of persoon, die de fazenda in ± 100 deelen zou kunnen verkavelen en te koop aanbieden, waarbij zeker een mooie winst te boeken zou zijn. Ook deze aangelegenheid verdient m.i. de volle aandacht der Nederlandsche autoriteiten in het direct belang der landgenooten in deze kolonie en mede in verband met eventueele immigratiemogelijkheden hierheen.

Ik voeg hieraan toe, dat de tegenwoordige Gouverneur van Paraná, Zijne Excellentie ManueI Ribas, met volle sympathie en in elk opzicht het streven onzer kolonisten steunt. De eigendomspapieren zijn volkomen in orde. De Southern Brazil Lumber en Colonisation Company verkreeg haar landbezit bij den aanleg van den spoorweg rechtstreeks van de Regeering. De kolonisten op Carambehy zijn dan ook volkomen zeker van hun bezit.

Bewoners
Er wonen hier bijna uitsluitend Hollanders en nog enkele Duitschers, de meesten eenvoudige, doch oprechte menschen. In den laatsten tijd zijn er diverse nieuwe kolonisten bijgekomen, waaronder van zeer goede familie, o.a. een meester in de rechten, een oud-inspecteur van Onderwijs, een eigenaar eener kweekerij en hoenderpark in Holland, diverse oud-administrateurs, een oud-commissaris van Politie en een oud-hoofdofficier uit Ned.-Indië, terwijl nog enkele gepensionneerden t.z .t. uit . Indië verwacht worden. Over het algemeen belijden de kolonisten den gereformeerden godsdienst, doch men is zeer verdraagzaam tegenover andersdenkenden.

De meeste oudere kolonisten wonen in bescheiden huizen, behalve een, die zich een mooi steenen huis heeft laten bouwen, terwijl een ander met den bouw eener steenen boerderij doende is. De komst der meer intellectueele nieuwkomers heeft als gevolg gehad, dat er verschillende mooie huizen bijgekomen zijn.

Een bestaan is op Carambehy zeker mogelijk, mits men over voldoende kapitaal beschikt. Het leven is hier goedkoop, vooral als men veel, wat voor eigen gebruik noodig is, zelf gaat verbouwen. Echter dient men hiermee geduld te hebben, daar het land eerst ontgonnen en bemest moet worden en men dus pas in het tweede jaar resultaat mag verwachten. Liefhebbers van rust en natuur vinden hier een dorado. Men moet echter alle luxe opzij kunnen zetten, tenzij men over een ruimere beurs beschikt, want dan bieden de groote steden dezelfde geneugten en verleiding als overal elders in de wereld.

Verschenen in De Bergcultures van 8 januari 1938.

[1] De Brazil Railway Company, opgericht in 1906, die de pioniers van Carambeí land verschafte, had verschillende werkmaatschappijen. Eén daarvan was de Southern Brazil Lumber & Colonization Company. Toen de spoorwegmaatschappij in 1917 in bezit kwam van de Braziliaanse overheid, ging de Lumber & Colonization Company verder als zelfstandige onderneming, totdat ook dit bedrijf in 1938 werd genationaliseerd door de regering van Getúlio Vargas.

Reisindrukken van een oud-planter (3)

In het laatste deel van zijn eerste brief aan de Bergcultures gaf R.A.M. Vermeulen zijn eerste indrukken weer van de kosten van levensonderhoud in zijn nieuwe vaderland Brazilië.

Brazilië
Brazilië als land trekt ons geenszins aan. Noch ’t land zelf, noch zijn bewoners kunnen ons bijster bekoren. Op onzen leeftijd past men zich niet zoo gemakkelijk aan. We kwamen echter niet voor Brazilië, doch voor Carambehy en dan is er slechts één loflied. ’t Is hier zóó rustig, zóó eenvoudig en zóó mooi, met een verrukkelijk klimaat, dat we onmiddellijk bij onze eerste kennismaking hier aanvoelden, dat we den juisten weg gekozen hadden. Indië bracht ons veel moois, doch ook veel tegenslag. Hier zullen we na 35 jaar ingespannen arbeid de verdiende rust zeker vinden.Voor kapitaalkrachtige menschen zijn er hier vele mogelijkheden. Wij zullen straks met een eenvoudig opgezet vee- en landbouwbedrijf, annex groenten- en vruchtentuin met mogelijk nog een klein areaal tung (aleurites fordii) zeker een volkomen –bevredigende eindperiode van ons bestaan vinden.

Men moet in Brazilië een groot onderscheid ·maken tusschen eigen fabrikaat (nacional) en ingevoerde goederen (importade). Men constateert direct, dat ’t eerste zeer goedkoop en het tweede even duur is als in Europa en overal elders in de wereld. In de groote zaken der groote steden ziet men bijna uitsluitend geïmporteerde goederen, welke als regel van veel betere kwaliteit zijn dan ’t eigen fabrikaat. Een uitzondering hierop is het bier, dat zeker gelijkgesteld kan worden met het beste Duitsche bier en bovendien zeer billijk in prijs is. Uit het bovenstaande kunt U direct concludeeren, dat de tourist in dit land meestal duur uit is, terwijl degenen, die zich hier blijvend willen vestigen, zeer goedkoop kunnen leven. Een Hollander, gewezen Deli-administrateur, woont met z’n vrouw en twee kinderen reeds eenige jaren in Curityba, de hoofdstad van den staat Paraná. Curityba is een aardige stad, welke vergeleken kan worden met b.v. Haarlem of Leiden. Hij bewoont er in de buitenwijken een aardige villa. Z’n zoon bezoekt het gymnasiurn en z’n dochtertje een uitstekende zustersschool. Volgens z’n mededeelingen leeft hij daar gemakkelijk van conto per maand, dat is dus in Hollandsch geld ± f 180.-. De bewoners te Carambehy besteden ongeveer f 60.- à f 100.- per maand om te kunnen leven. Men mag dan echter niet uit ’t oog verliezen, dat zij veel zelf planten en verbouwen, eigen vee bezitten en practisch niets uitgeven aan uitgaan. Hoogstens gaan ze éénmaal per maand naar Ponta Grossa 30 km) per wagen of per fiets. De onverharde Gouvernements-hoofdwegen zijn volgens onze begrippen in de regenmaanden echter slecht.

Voor kleine renteniers zijn de levensomstandigheden hier bijzonder gunstig, daar de rentevoet hoog is. Vele banken geven direct opneembaar meestal reeds 5% en veilige staatspapieren meestal 8% rente.- In de kolonie zelf wordt, naar ik vernam, zelfs onderling geld uitgeleend tegen 10% rente. Met een kapitaaltje van 15 mille heeft men gauw een jaarlijksch inkomen van ± 10 conto’s per jaar, van welk bedrag men in de kolonie reeds eenvoudig en zorgenloos leven kan. Daarbij komt dan echter nog de reis van Indië hierheen, welke met de K. P. M. (1ste kl. tot Singapore) aansluitend op de Zuid-Amerikalijn der Osaka Shosen Kaisha Line (1ste kl.) tot aankomst op Carambehy op rond f 1000.- per volwassene gesteld dient te worden. Een eenvoudige en geriefelijke woning bouwt men van 15 tot 25 conto’s, terwijl de aankoop van eigen grond, inclusief overschrijvingskosten en omrastering op ± f 15.- per ha gesteld moet worden. Voor vele menschen zonder pensioen is dit m.i. een uitkomst. Het oprichten eener boerderij van ±50 à 60 ha, inclusief een degelijke houten woning met steenen fundament (8 X 12 m oppervlakte), houten schuur, stallen· en ’t noodige vee en kleiner gedierte (varkens, geiten, kippen, e.d.), komt op ± f 8000.- te staan. Daarbij is dan een reserve-kapitaal van f 2000.- gewenscht. Heeft men pensioen, dan is alles natuurlijk veel eenvoudiger. Richt men alles op meer bescheiden schaal in, dan zal, volgens mijne inzichten, toch minimum 5 mille benoodigd zijn. De oudste ingezetenen hier noemen lagere bedragen, doch voor oud-Indischgasten lijken me mijn cijfers meer aan den veiligen kant. T.z.t. als ik uit eigen ervaring meer juiste gegevens ter beschikking heb, zal ik deze gaarne volledig doorgeven.

Thans vangt de nieuwe taak aan en zal ik vooral in de eerste maanden veel in beslag genomen worden. U kunt echter binnen afzienbaren tijd m’n volgenden brief tegemoet zien met uitvoerige mededeelingen over ’t kolonie-leven, hare bewoners, het vee- en landbouwbedrijf, de tung (houtolie) -kansen en andere eigen bevindingen. Heden eindig ik. Wij hebben ’t hier zeer naar onzen zin.

Verschenen in De Bergcultures van 25 december 1937.

Onderzoeksgids Nederlandse groepsemigratie naar Brazilië

Op 13 juni j.l. is dan eindelijk de Onderzoeksgids Nederlandse groepsemigratie naar Brazilië, 1822-1992 verschenen. De publicatie werd in 2012 samengesteld door de historicus Lodewijk Hulsman in opdracht van het Nationaal Archief. De gids biedt een overzicht van de dossiers die in diverse Nederlandse archieven te vinden zijn over de Nederlandse emigratie naar Brazilië. Het door Hulsman verrichte onderzoek werd verricht in het kader van het Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoedprogramma, waarvoor het Nederlandse Nationaal Archief nauw samenwerkte met het Arquivo Nacional in Rio de Janeiro. Het idee om aandacht te besteden aan de Nederlandse emigratie naar Brazilië was een verzoek van het Arquivo Nacional. De Brazilianen hebben het voornemen om een soortgelijk onderzoek te gaan doen in hun archieven.

Behalve een overzicht van relevante archiefdossiers in verschillende overheids- en particuliere archieven in Nederland, bevat de gids ook een thematisch deel met een overzicht van de Nederlandse gemeenschappen in Brazilië en enkele onderzoeksthema’s. De gids wordt afgesloten met een vrijwel volledige bibliografie van in Nederland en in Brazilië verschenen boeken, artikelen en scripties.

Parallel aan het onderzoek van Lodewijk Hulsman kregen twee jonge filmmakers, Kel O’Neill en Eline Jongsma van het Nationaal Archief de opdracht een aantal korte films te maken over de onverwachte gevolgen van Nederlands kolonialisme. Zij bezochten ook nazaten van Nederlandse emigranten. Eén van de filmimpressies handelt over Holanda in Espírito Santo. Hoewel de kolonie nog steeds wordt gekenmerkt door een relatief isolement, is blijkens de beelden de tijd niet stil blijven staan. Jonge meiden die zich bezig houden met hun uiterlijk; in de steden van Brazilië zie je niet anders. De korte film van O’Neill en Jongsma echter niet meer dan een filmische impressie. Het wachten is op de documentaire de Braziliaanse Koorts die Arjan van Westen en Monique Schoutsen komend jaar willen realiseren.

Hieronder alvast de impressie van Holande (ES) van O’Neil en Jongsma uit 2012.

Eindelijk…..Brazilië! (2 – slot)

Bij de start van de jonge nederzetting, die later beter bekend werd als Holambra was initiatiefnemer Geert Heymeijer vol vertrouwen. Vertrouwen in God en vertrouwen in de capaciteiten van de pioniers en vertrouwen in de mogelijkheden die Brazilië te bieden had. In het artikel dat Boer en Tuinder op 18 december 1948 – kort voor het vertrek van de eerste grote groep emigranten – publiceerde, bekende hij dat hoewel hij oog had voor de moeilijkheden, steeds meer de mogelijkheden was gaan zien. ‘Onze kracht ligt in de kwaliteit!’, zo besloot hij dit verslag van de werkzaamheden van de pioniers van de Fazenda Ribeirão.

Vertrouwen.
Dat zijn zo de kleine moeilijkheden van het begin, maar dat betekent niets tegenover de grote mogelijkheden die wij zien, en tegenover datgene wat wij nu al hebben. Want ik zei toch, dat wij niet helemaal zonder zitten. We hebben een kleine steenbakkerij, we hebben een waterval en tal van kleine rivieren, die bevloeiing in de droge tijd mogelijk maken. We hebben een meer met krokodillen er in, en we hebben een bos met apen. En niet te vergeten: we hebben Willem Miltenburg met zijn onverwoestbaar optimisme en met zijn jeep, die de meest onwaarschijnlijke terreinhindernissen neemt. We hebben ook nog de onderwijzeres van het Fazendaschooltje, dat op het ogenblik nog maar weinig leerlingen telt, hoofdzakelijk van de “buren”. Die onderwijzeres, een vlotte Braziliaanse, geeft iedere avond Portugese les aan de Hollanders.

Maar wat wij bovenal hebben is: vertrouwen. Vertrouwen op de eerste plaats in Gods onmisbare zegen. Een paar weken geleden hebben wij onder het afsmeken daarvan de eerste spade in het Ribeirãoland gestoken. Een dezer dagen hebben wij bezoek gehad van drie Hollandse zustertjes, die al een half jaar in São Paulo zijn om te acclimatiseren en zich straks, met nog enkele andere en een pater, op de kolonie komen vestigen. Zij hebben gebeden en wij met hen, en zij hebben het eerste zaad aan de aarde toevertrouwd.

Met Nederlandse vakkennis en Nederlandse energie.
Vertrouwen hebben wij ook in de capaciteit van onze pioniers en in de mogelijkheden, die dit land onder bepaalde omstandigheden biedt. Het is de derde maal, dat ik hier voor enkele maanden rondtrek, en ik heb mijn ogen en oren goed de kost gegeven. De eerste keer waren mijn indrukken nogal gemengd en was ik meer onder de indruk van de moeilijkheden dan van de mogelijkheden, die Brazilië oplevert. Op mijn tweede reis en thans ook op mijn derde reis zie ik de moeilijkheden niet minder, maar de mogelijkheden duidelijker. Wanneer men zie wat hier en daar, al is het slechts sporadisch vooral door Italianen en andere vreemdelingen op allerlei gebied is bereikt, dan begrijpt men, wat prima vakkennis, gepaard aan doorzettingsvermogen en organisatietalent waard is. En over deze capaciteiten zal de keurbende van onze emigranten ongetwijfeld beschikken. Een krachtige organisatie zal de inderdaad vele en grote moeilijkheden, die er te overwinnen zijn, uit de weg ruimen, al zal het in den beginne dan ook langzaam gaan. Maar op den duur moeten wij het winnen. Wij zullen ook veel moeten experimenteren en ook dat zal oorzaak zijn van een betrekkelijk langzaam vooruit gaan. Op tegenslagen en mislukkingen moeten wij dus rekenen, maar zijn wij daaroverheen, dan zullen de pioniers dankbaar kunnen neerzien op het grootste werk, wat tot stand is gebracht.

Wanneer Miltenburg en ik het terrein doorkruisen, dan zien wij al die boerderijen daar liggen, tussen de zacht glooiende heuvels in de schitterende natuur, het verbeterde land en de verbeterde wegen, het Hollandse vee, dat hier met een goede behandeling best wil gedijen, de kerk, het klooster en de zuivelfabriek, de magazijnen en de monteurswerkplaats, de steenfabriek en wie weet wat nog meer. We zien de vrachtauto’s rijden naar São Paulo over de grote weg, die al voor bijna de helft een brede betonbaan heeft, om de melk weg te brengen, die daar goede prijzen oplevert, de varkens, de slachtkippen en de eenden, de groenten en wellicht ook de bloemen en het fruit. Wij zijn er ons van bewust, dat wij dan iets gemaakt hebben, wat Brazilië nog niet heeft gezien, en evenzeer dat dit moet kunnen en zal kunnen. Maar wij staan met beide benen op de grond en weten in alle nuchterheid, dat het nog niet zo ver is, nog lang niet, en dat er nog menige zweetdruppel zal vallen op de Braziliaanse grond en dat nog menige zucht geslaakt zal worden.

Onze kracht ligt in de kwaliteit! Kwaliteit van de pioniers, van de mannen en – niet minder, zo niet meer – van de vrouwen. Er zal veel van hen geëist worden. Van het karakter op de eerste plaats: godsdienstzin en eenvoudig Godsvertrouwen, doorzettingsvermogen en optimisme, een grote saamhorigheid, verdraagzaamheid en bereidheid om eigen wensen en verlangens aan het belang van anderen of van de gemeenschap op te offeren, soberheid en eenvoud, en ten slotte harde en gestage arbeid. Op de tweede plaats aan de kennis en het technische kunnen. Veel en veelsoortig werk zal moeten worden gericht en wij zullen daarvoor allround kerels nodig hebben. Er is nog heel veel te doen, maar het werk zal beloond worden.

Documentaireplannen over Zeeuwen in Espírito Santo

Twee documentairemakers, de historicus/freelance journalist Arjan van Westen en zijn vrouw Monique Schoutsen werken momenteel aan een nieuwe documentaire over de nazaten van de emigranten, die rond 1860 vanuit Zeeland zich hebben gevestigd in Espírito Santo. Van Westen en Schoutsen proberen het geld voor hun plannen bijeen te krijgen via crowdfunding. De bedoeling is dat het publiek ervoor zorgt dat er voldoende geld binnenkomt om de film te maken. In ruil voor een financiële bijdrage krijgt men later een dvd en verschijnt de naam van de begunstiger op de aftiteling van de documentaire.

Op een dagAanleiding voor de nieuwe plannen is het boek Op een dag zullen ze ons vinden van Ton Roos en Margje Eshuis. Dit boek, verschenen in 2008, vertelt op aangrijpende wijze hoe de emigratie tussen 1858 en 1862 vanuit Zeeland heeft plaatsgevonden en hoe het de emigranten en hun nazaten is vergaan. Lange tijd leefden deze emigranten geïsoleerd en was het contact met Nederland verbroken. In de jaren zeventig werd dit contact hersteld en werkten Roos en Eshuis lange tijd onder hen als zendingswerkers.

Van Westen en Schoutsen zijn overigens niet de eerste documentairemakers die Holanda in Espírito Santo hebben bezocht. In 1990 werd in de reeks ‘Hollanders voor de eeuwigheid’ op de Nederlandse TV een documentaire over de Zeeuwen uitgezonden. En vorig jaar bezochten de jonge documentairemakers Eline Jongsma en Kell O’Neill Holanda in het kader van hun Empire Project, waarin zij op zoek gingen naar de onverwachte gevolgen van het Nederlandse kolonialisme in Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika.

Om hun documentaireplannen te promoten, verschijnen de initiatiefnemers, maar ook Ton Roos, op het moment regelmatig in de media. Op 27 mei waren ze te gast bij de EO-radio. Voor meer informatie, kijk op de website van de documentairemakers. In de Provinciale Zeeuwse Courant van 9 mei 2013 verscheen een artikel met de titel ‘Het Zeeuws in Brazilië is bijna dood’. Op Youtube is trouwens een overzicht te vinden van de namen van de Zeeuwse emigranten.