Holambra in opbouw (I)

Om in korte tijd veel emigrantengezinnen te kunnen ontvangen, moesten er in korte tijd veel woningen worden gebouwd. Her en der zijn deze pionierswoningen nog herkenbaar in de oudste woonbuurten in en rond het centrum van Holambra. Ook sommige schuren van de oude industriewijk zijn nog duidelijk herkenbaar. In het themanummer van Ontginning, het maandblad van de katholieke jonge boeren, werd uit de doeken gedaan hoe de bouw van de kolonie op gang kwam en men al snel de pionierstijd in de Braziliaanse hutjes, de paupiekjes, achter zich kon laten.

 

Paupiekjes.

De geschiedenis van de Fazenda Ribeiräo, met al wat er aan vooraf ging en met al wat er aan vastzit, is nog niet geschreven. Hopelijk voelt iemand met een suggestieve pen zich nog eens tot dit interessante onderwerp aangetrokken. Hij zou dan een boeiend hoofdstuk kunnen schrijven over de “Paupiekjes“. De naam “paupiekje” behoeft voor een Nederlands lezer wel een toelichting. Het woord is een verbastering van het Portugese “pau-a-pique” en betekent letterlijk: “recht overeind staande stok”. Men bedoelt er het hutje mee van de Braziliaanse landarbeider, een hutje, even onopvallend verscholen in de glooiingen van dit grote land als het pretentieloze woordje “pau-a-pique” in een lijvig woordenboek. Hier vindt men dit woord officieel en zakelijk omschreven als: “een huis, waarvan de muren gemaakt zijn van over elkaar gekruiste latten of stokken, besmeerd met leem. Maar deze nuchtere omschrijving openbaart ons maar weinig van de historische werkelijkheid, die ermee aangeduid wordt. Het woord “paupiekje” is het symbool geworden van de moeilijkheden en ontberingen der eerste emigranten en tegelijk ook van hun moedig idealisme; het vat kort en bondig het leven samen van de allereerste pioniers.

PaupiekHet waren armzalige krotten, meer niet. In Holland zouden ze nauwelijks voor varkens geschikt zijn verklaard. Ze waren op de meest primitieve manier gebouwd en slecht onderhouden. Wind en regen hadden er vrij spel door de openingen van het dak en de spleten in de muur. Aan een vloer was niet gedacht en nog minder aan ramen. Bovendien waren die paupiekjes erbarmelijk vervuild. Soms hadden de vorige bewoners gewoon op de grond hun potje gekookt en kon men er letterlijk karrenvrachten mest uithalen.

Menig emigrant moet geschrokken zijn, wanneer hij bij zijn aankomst op de fazenda zich een dergelijke “woning” zag aangewezen. Al had hij zich nog zo goed geprepareerd op zijn toekomstige pionierstaak, hij kon niet vermoed hebben, dat zijn huis zó klein, zó bouwvallig, zó vervuild zou zijn. Of liever gezegd: al had iemand het hem van te voren verteld, dan had hij het nog niet voldoende kunnen beseffen, voordat hij het hier ter plaatse zag. En vooral voor de vrouwen moet de aanblik van een paupiekje een schokkende ervaring zijn geweest.

Maar deze pioniers hebben onmiddellijk aangepakt. Ze hebben de strijd aangebonden met de vervuiling, de elementen en het ongedierte : spinnen, ratten, insecten, groot en klein. Ze hebben de allernoodzakelijkste verbeteringen en reparaties aangebracht : een vloer, een douche, een W.C., een paar nieuwe pannen op het dak, een paar streken leem in de muur.

Er werd geschrobd en gedweild, gepoetst en geveegd. En het “paupiekje” werd tenslotte bewoonbaar. Wanneer dan na enige weken de eigen meubeltjes uit Nederland arriveerden, voelde men zich de koning te rijk, want voordien had men zich moeten behelpen met wat veilingkistjes, een gammel tafeltje en een paar hutkoffers.

Drie dingen hielden de eerste pioniers op de been : een prachtig gevoel van lotsverbondenheid, de verbeten wil om hier de toekomst te veroveren en tenslotte een gevoel voor humor, dat hen zelfs in deze omstandigheden niet verliet. Al gauw

heette het straatje met de paupiekjes de “Herengracht”, en bij een tropisch regenbuitje schaarde men zich rondom het Braziliaanse fornuis en stak gemoedereerd de paraplu op. Ja, het is eens gebeurd; dat men een kraamvrouw kwam feliciteren, die met haar paraplu in bed lag. Haar kind was al door de hemel gedoopt voordat de pater er aan te pas kwam. Maar men hield er de moed in. Er viel wel eens een traan, maar er werd ook gelachen. Men staarde zich niet blind op de moeilijkheden van het ogenblik, men hield de blik vol vertrouwen op de toekomst gericht.

De voormalige paupiek-bewoners staan thans nog graag stil bij die episode uit hun leven. Het is voor hen niet enkel een stukje romantiek, het is hun een dierbare herinnering aan een tijd, toen de hier te overwinnen moeilijkheden uitsluitend elementair waren, toen allen één van zin en één van wil waren. “Het was toch een beste tijd, misschien de beste, die we hier hebben meegemaakt” hoort men nu nog wel eens zeggen.

Die eerste pioniers ! Zij zijn fier op hetgeen toen en later door hen gepresteerd is. Zij hebben, veel meer dan de later aangekomenen, de kolonie zien groeien en beseffen, dat ze voor anderen. de spits hebben afgebeten. En die anderen zijn zich misschien niet altijd voldoende bewust, dat ze hier in vergelijking met de eersten, een gespreid bedje hebben gevonden. Het tijdperk der paupiekjes is thans gelukkig – voorbij, maar de herinnering eraan leeft voort en levert al stof tot legende-vorming.

 

De vijf schroeven.

Behalve deze paupiekjes vonden de eerste pioniers op de fazenda nog enige grotere gebouwen, degelijker van bouw : een paar stallen, schuren en loodsen en bovendien een vrij ruim ingericht huis, dat thans nog als “fazendahuis” dienst doet. Al deze gebouwen moesten eerst grondig worden herzien en gerepareerd, alvorens zij in gebruik konden worden genomen. Maar dit was niet zo eenvoudig. Want het ontbrak die alIereersten letterlijk aan alles: aan mankracht, aan vakmanschap, aan materiaal, aan gereedschappen. Dit handjevol mensen ging totaal verloren in een vreemde omgeving, waarvan ze de taal niet verstonden en nog minder spraken.

Men vertelt nog dikwijls de anecdote van de vijf schroeven om de moeilijkheden van toen te illustreren. De jonge kolonie moest schroeven hebben, een pionier werd er op uitgestuurd. ’s Morgens vroeg ging hij op pad, ’s avonds laat kwam hij terug. Het resultaat van een hele dag rondzwerven was, dat hij vijf hele verroeste schroeven meebracht, die hem per stuk 5 Cruzeiros (f 1.-) hadden gekost!

Thans kan men zich zulk een hopeloos geval niet meer voorstellen. De Coöperatie heeft nu de beschikking over verbindingspersonen in Santos, São Paulo en Campinas en bijna dagelijks trekken er mannen op uit met een wagen van het bedrijf, om in de stad de nodige inkopen te doen en zij kunnen zich al behoorlijk redden in het Portugees. Maar het voorval van de vijf schroeven illustreert duidelijk de perikelen, waaraan de emigrant in een land als Brazilië slaat blootgesteld. De 500 bewoners van Ribeiräo zijn zich dan ook terdege bewust, dat de prestaties van hetafgelopen jaar niet mogelijk zouden zijn geweest, zonder het coöperatief verband. Inderdaad, het effect van de arbeid der Coöperatie, in haar geheel genomen, overtreft verre dat van de som der samenstellende delen.

 

Enige cijfers.

Begin 1949 werd een begin gemaakt met een meer systematischekolonisatie; tot .dan toe leefden er nog maar vijf Nederlandse gezinnen op de fazenda. Reeds midden januari arriveerde de eerste boot, sindsdien iedere maand gevolgd door een kleinere of grotere groep emigranten. Het grote merendeel van hen bestond uit landbouwers, maar er waren toch ook enige vaklieden bij. Zo bevond zich op die januariboot o.a. ook een bouwer, de Heer M. Hendrikx uit Nunhem, die thans aan het hoofd der bouwafdeling staat en van wie wij enige waardevolle inlichtingen aangaande de bouwbedrijvigheid mochten ontvangen.

De taak, waarvoor hij en de zijnen stonden, was enorm en haast niet te overzien. Met een paar Nederlanders en een drietal Brazilianen ging hij aan de slag. Kleine karweitjes werden opgeknapt, plannen werden gemaakt en een voorlopige timmermanswerkplaats werd ingericht in een bestaande loods. Intussen was het wachten op de aankomst van gereedschappen, machines en arbeidskrachten.

12 maart arriveerden de gereedschappen, eerst in Juli volgden de machines. Toen pas kon het werk vlotter voortgang vinden. Langzamerhand breidde zich ook de kolonie uit en kon men aan de uitvoering van nieuwe projecten gaan denken. Onder de emigranten bevonden zich maar betrekkelijk weinig vaklieden en zodoende zagen boeren zich genoodzaakt tijdelijk de schop met de truweel te verwisselen, maar de ervaring heeft geleerd, dat een energieke boer, als het moet, ook in staat is om een huisje, een stal, een loods of een garage te bouwen. Het bewijs hiervan leverde Nico Berger, een jonge boer uit Alkmaar, die van 23 mei tot 25 januari 50 huizen onder de kap bracht, voor welk heuglijk feit hij door de leider der kolonie met een toepasselijk woordje gehuldigd werd.

IndustriewijkVan maart 1949 tot april 1950 werden door deze amateurbouwers onder leiding van slechts een paar mensen van het vak, 62 kleinere en grotere woonhuizen gebouwd en een tiental stallen. Daarnaast werden omvangrijke verbouwingen verricht aan bestaande gebouwen, die als woonhuizen, werkplaatsen, kantoor of magazijnen werden ingericht. Er werd een kapel gebouwd, die aan bijna 250 mensen plaats biedt. Negen grote loodsen, ieder met een inhoud van 720 M3, verrezen in de “lndustriewijk”, die thans dienst doen als opslagplaatsen, garage, winkel, smederij, enz. De oude timmerwinkel op het fazendaplein werd omgebouwd tot school en voorzien van banken en borden. Er kwam een apart tehuis voor vrijgezellen, dat eerstdaags in gebruik zal worden genomen, waaraan een gastenkwartier verbonden wordt voor de bezoekers van de fazenda. De bouwploeg, die thans uit een kleine 40 man bestaat, (de helft Nederlanders, de helft Brazilianen) heeft in 1949 gewerkt met een gemiddelde sterkte van 17 personen. De bouwafdeling heeft tot 31 december 1949 ongeveer 2.000 conto (is ongeveer f 400.000) uitgegeven. Van 17 huizen, die inmiddels achter elkaar gebouwd zijn, weet men te vertellen, dat ze gemiddeld in drie dagen tijds zijn gereedgekomen. Een bemoedigend voorbeeld voor Nederland, dat eveneens met een geweldig woningtekort heeft te kampen.

Bovenstaande cijfers, een greep uit de vele, spreken een duidelijke taal. De aanblik van de fazenda is door die bouwbedrijvigheid grondig veranderd en het snelle tempo doet de bezoekers steeds weer verstomd staan. Men spreekt hier al van wijken: behalve het “Centrum” hebben wij hier een “Ooievaarsbuurt” (alias “Uiverweg”) een Waterweg”, een “Alegreweg”, een “lndustriewijk” en een straat “Boven de Beek” en “Onder de Beek”.

De nieuw opgetrokken huizen voldoen slechts aan eenvoudige eisen: ze zijn halfsteens, zonder ruiten, de kap is erg laag, de vloer is niet van hout, maar van cement, de binnenmuren zijn ten dele slechts tot op manshoogte opgetrokken. Deze huisjes zijn gemetseld met het artikel, dat hier in de natte tijd op de fazenda het goedkoopst is, n.l. “barro” (“kleileem”). Maar zijn ze eenmaal onder de pannen gebracht, dan worden ze bestreken, bepleisterd en witgekalkt en de aanblik van de witte muren en die rode daken voldoet uitstekend in het landschap. Het is een vriendelijk en riant gezicht, een enorme vooruitgang met de paupiekjes van een jaar geleden en menig Braziliaan is jaloers als hij die fleurige huisjes ziet met hun goed verzorgd Hollands interieur.

In Nederland zou men een dergelijke woningbouw “noodwoningen” noemen, of ‑ om een kieser woord te bezigen, uit een tijd, die ons noopte om ons delicaat uit de drukken ‑ “semipermanente woningen”. Inderdaad zijn ook hier deze woningen als semipermanent bedoeld, althans voor de Nederlanders. Wanneer over enige maanden een aantal boeren zich op een eigen bedrijf gaat vestigen, gaan ze verhuizen naar verder afgelegen boerderijen (die voorlopig ook weer semipermanent” gebouwd worden) en de huizen, die zodoende vrij komen, worden dan weer ter beschikking gesteld van de nieuwe emigranten. Mettertijd komen de thans gebouwde woningen aan de Brazilianen en er is al een plaats gereserveerd (in de buurt van de tegenwoordige “lndustriewijk”) voor de bouw van het eigenlijke dorp. Men praat al van een “Avenida do Brasil” en van een “Jardim da Holanda”. Toekomstmuziek? Nu goed, maar deze plannen zijn tevens ook het bewijs van de jeugdige vitaliteit der kolonie.

Wij bouwen een gemeenschap

In het speciale themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren van augustus/september 1950 kon een bijdrage van Geert Heymeijer natuurlijk niet ontbreken. Hoewel hij al wist dat de jonge gemeenschap financieel in zwaar weer verkeerde en daarvoor in Nederland al bij financiële instellingen om steun had aangeklopt, bleef hij in zijn bijdrage ‘Wij bouwen een gemeenschap’ optimistisch. Uiteraard waren er beginnersfouten geweest, maar ondanks deze moeilijkheden verwachtte hij dat de jonge gemeenschap een goede toekomst had. ‘Het sal waerachtig wel gaen’, zo citeerde hij Cornelis Tromp, en niet J.P. Coen, zoals hij per abuis aannam.

Merkwaardig dat zich het laatste half uur niemand heeft vertoond in mijn kamer met een of andere vraag of een probleem en ik staar door het raam naar buiten, de grote felrode papagaaienbloemen, die aan de metershoge struikenhaag langs het huis in de zon een levend behang vormen, naar de met gras begroeide heuvel in de verte, omzoomd door een rij wuivende Eucalyptusbomen en naar de Braziliaans blauwe lucht daarboven.

Er zou nu al een boekdeel te schrijven zijn over de. historie van de voorbereiding en het begin van onze kolonie en over de vele en velerlei problemen en aspecten, die het werk hier oplevert en die het neerschrijven waard zijn.

Huis van de Familie Lamers uit Venray
Huis van de Familie Lamers uit Venray

Welk samenvattend aspect moet ik hier behandelen in deze eerste publicatie ? Ik staar en peins en ik denk er ineens aan, dat het toch zo aardig is verhalen te lezen van Robinson Crusoe en dergelijke lieden, die door een of andere oorzaak van de menselijke samenleving zijn losgeraakt en dan aangewezen zijn om zelf in hun behoeften te voorzien en daarin dan steeds op de meest vernuftige manieren slagen. Die verhalen zijn echter enigszins misleidend, want men zou dan gaan geloven, dat een mens zich als. het moet met een dierenvel, een bananenstruik en nog zowat, kan behelpen. Dit nu is beslist onjuist.

Wel zijn wij geen schipbreukelingen, noch Robinson Cruzoe’s, maar doodgewone Nederlanders, die twee wereldoorlogen, welke de mensheid overigens weinig geleerd hebben, achter de rug hebben. Ik wil maar zeggen, dat wij, meer dan wie ook, aan den lijve ondervinden, wat het zeggen wil, plotseling te treden uit het Nederlandse economische en sociale leven, ‑ dat ondanks alles toch nog redelijk goed functioneert ‑ en dan aangewezen te zijn om zelf in alle behoeften en noden te voorzien. Het blijkt dan, dat de zich pionier noemende Nederlandse emigrant van anno 1950 een even gecompliceerd als veelzijdig geheel van geestelijke en stoffelijke behoeften heeft, waarvan de onmiddellijke en volledige bevrediging werkelijk niet zo eenvoudig is.

Wij zijn bezig een gemeenschap op te bouwen. Het woord is gemakkelijker neergeschreven dan te realiseren wat het inhoudt. Voor de buitenstaander is het ondoenlijk een voorstelling te maken van wat het zeggen wil om in een vreemd land, op 40 km van de stad, alle problemen op te vangen, die de bouw van een kolonie, een kleine maar volledige gemeenschap, met zich brengt. Velen zullen zich onze Nederlandse kolonie in Brazilië voorstellen. Als een groot landbouwbedrijf. Dat is nu ook, maar het is nog veel, veel meer. Want aan de exploitatie van een landbouwbedrijf moet de ontginning van het land vooraf gaan en voor de ontginning zijn machines en mensen nodig. En die mensen moeten een woning hebben en die woningen moeten worden gebouwd en daarvoor zijn weer mensen nodig. En behalve dat, zijn er machines nodig en materialen om de huizen te bouwen. En de machines moeten gerepareerd en voor die reparatie moeten weer andere machines, gebouwen en gereedschappen zijn en weer . . . . mensen.

En die mensen moeten gevoed worden en die mensen worden wel eens ziek en dan moet er een dokter komen of zij moeten naar het ziekenhuis en er moeten medicijnen zijn. Die mensen, zij trouwen en zij krijgen kinderen en dan moet er een verpleegster zijn en moet de moeder een tijdlang geholpen worden. Er zijn mensen, die grotere kinderen hebben en die moeten onderwijs hebben en bij voorkeur goed onderwijs, want het is gebleken, dat de kracht van ons volk en de voorsprong, die het op vele andere volkeren heeft, voor een groot deel te danken is aan het op zo’n hoog peil staande onderwijs in Nederland. Tenslotte hebben de mensen voorlichting nodig en eindelijk ook een beetje ontspanning.

Bevolkingsstatistiek 1948-1950
Bevolkingsstatistiek 1948-1950

Dit zijn dan de “sociale” problemen in de ruimste zin van ’t woord, maar daarnaast komen de technische en de economische problemen. Voor het vee, dat wij meebrengen uit Holland, moeten stallen gebouwd worden ; het moet “geïmmuniseerd” tegen de “tristeza”, een inheemse bloedziekte ; het moet verzorgd en gevoed worden. Dje voeding moet liefst op eigen bodem worden voortgebracht. De melk, die geproduceerd wordt en de overige producten moeten vervoerd worden en de weg moet gezocht worden naar de consument. Voor kippen en varkens moet het fokmateriaal gekocht en voor stalling en voedering moet worden gezorgd. Een beslissing moet genomen worden wat er gezaaid en geplant moet· worden. De vraag opgelost, welke rassen en variëteiten het beste zijn, en de moeilijkheden moeten worden opgelost om het nodige zaaizaad en plantmateriaal te verkrijgen, onderzocht hoe en wanneer geplant en geoogst moet worden.

En dat alles moet geadministreerd en gefinancierd worden. Kostprijzen moeten berekend, calculaties gemaakt en plannen ontworpen voor ontginning, akkerbouw, huizen- en stallenbouw. En alles moet op de juiste wijze in elkaar passen, want als een emigrantenschip aankomt, moeten de huizen gereed zijn en als het vee komt de stallen en als de oogst er is, moet die geborgen en bewaard kunnen worden en moeten de magazijnen klaar zijn.

Dit is niet eenvoudig in een land, waar het transport moeilijk is, waar grondstoffen- en materialen, onderdelen van machines, medicijnen voor mens en dier, moeilijk en vaak duur, soms te duur, moeten worden gekocht, want de weg naar de goedkoopste leverancier is niet gemakkelijk te vinden. Dit is niet eenvoudig in een land, waar de taal en het klimaat, de bodem en de groei van gewassen en dieren, zo anders is dan in Nederland. Neen, eenvoudig is het  niet om dit raderwerk zonder haperen aan de gang te houden, deze jonge gemeenschap, met zijn vele behoeften, te doen functioneren, de vele vragen, die plotseling en veelal tegelijk zich voordoen, te beantwoorden.

Dit alles overpeinzende en dan bedenkende, wat er in korte tijd, ondanks de moeilijkheden tot stand gebracht is, dan is er alle reden tot verheugenis en vooral tot grote dankbaarheid en dan zeggen wij met Coen : “Het sal waeragtich wel gaen”. De gedachten van ieder hier houden zich steeds bezig met de toekomst en de oplossing van de problemen, die voor .ons liggen, maar het is toch wel goed van tijd tot tijd eens achterom te zien en dan door de bril van de vele bezoekers, die hier komen en die steevast hun been verwondering uitdrukken over hetgeen in zo’n korte tijd tot stand werd gebracht.

Wij hebben nu toch in een goed jaar 500 mensen en 500 stuks vee hier ondergebracht. De “primaire” industrieën: de houtzagerij en de steenbakkerij draaien. De timmerfabriek, die met alle machines op gebied van de houtbewerking is uitgerust, draait op volle toeren, de garage en de smederij zijn in prima gebouwen ondergebracht en kunnen het onderhoud der machines aan 1000 ha. land is ontgonnen, de maïsoogst is begonnen en belooft zeer veel. De bakkerij bakt prima brood en voor weinig geld, de slagerij levert veel beter en goedkoper vlees dan wij gewend waren. In de kerk worden zondags drie H.H. Missen·opgedragen en de H. Mis en het Lof op werkdagen worden goed bezocht: het draait normaal als in Holland. Ook de school is een lust om te zien: 100 kinderen in 6 klassen en zelfs een begin van een Middelbare school is gemaakt. Bij bijzondere gelegenheden zijn feestjes en het kortelings opgevoerde Paasspel was een daverend succes. Kortom er leeft en groeit een volledige gemeenschap.

En de perspectieven ? Het antwoord daarop is, dat Brazilië nog een enorme opnamecapaciteit heeft van consumptiegoederen. Wat men ook produceert gaat grif weg voor goede prijzen. Er moet echter bij vermeld worden, dat men éérst de aanloopperiode moet overbruggen, de kinderziekten doormaken. Dit geldt op alle gebied, zowel voor de landbouw als voor de industrie. De vraag naar allerlei producten is groot genoeg. Vooral van voedings- en genotmiddelen. Onze bakker maakt ontbijtkoek, een product, dat men hier niet kent, evenals beschuit en Brabantse eierkoeken. Ze vallen zeer goed in de smaak bij de Brazilianen. Het is een kwestie van organisatie, van tijd en van kapitaal, om een bescheiden Koek- en Beschuitfabriekje op te richten. En waarom zou deze niet tot een flinke fabriek kunnen uitgroeien? De prijzen van vele artikelen lopen sterk uiteen in verschillende seizoenen. De eierprijs is de laatste tijd het dubbele van enige maanden terug en zakt over enige weken weer in. Een koelhuis zou zich in twee jaar betaald maken. De aardappelprijs loopt al naar het seizoen van 30-75 cent per kg omhoog in de groothandel. Een goede bewaarplaats is er in één jaar uit.

Onze ervaring met de kalveren is eveneens zeer hoopvol. In het algemeen verkopen wij onze kalveren niet met het oog op de noodzakelijke groei van de veestapel. Maar enkele hebben we verkocht en al doende leert men. De eerste ging weg voor 600 gulden, de tweede voor

800 gulden, daarna (nuchter) voor 1000 gulden en daar wij eigenlijk niet wilden verkopen, dreven wij de prijs maar op, omdat de Braziliaan niet graag hoort, dat we hem niet willen verkopen. Toen verkochten we er twee, nog ongezien in de moeder voor 1200 gulden per stuk en tenslotte, om er een eind aan te maken, vroegen we 2000 gulden voor een 6-maands kalf. Maar het werd gekocht! Ook op ander gebied liggen de perspectieven. De steenbakkerij houdt nu onze behoefte aan stenen vrijwel bij. Straks kan de steenfabriek de stenen afleveren buiten de kolonie. De kwaliteit is beter dan de gewone Braziliaanse steen. De timmerfabriek kan zich straks werpen op de meubelfabrikatie en allerlei houtwaren. Thans verlaten ook al kunstproducten de kolonie: de zusters vervaardigen zeer artistieke religieuze schilderijtjes, die hun weg naar Nederland al vinden; ook van mooi hout gedraaide en beschilderde sierschalen. Onder leiding van de Pater is een glazeniersbedrijf in voorbereiding. De vestiging van de eerste niet-agrarische industrie is al beklonken en de eerste aanvragen voor vestiging van renteniers, aangetrokken door de veilige rust, de Nederlandse sfeer en de schoonheid van het land, zijn al binnen.

Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters
Fazendahuis, in gebruik als klooster van de zusters

Dit alles beteken : export en “deviezen” voor onze kolonie, want deze moeten wij zien als een economische eenheid. Ja, de perspectieven zijn werkelijk niet slecht. Maar nogmaals, voordat die perspectieven werkelijkheid worden moet er een moeilijke tijd overbrugd worden, een pionierstijd van hard werken en sober leven, van het met moeite aan elkaar knopen van de eindjes. Dan moeten kinderziekten overwonnen en . . . leergeld betaald worden. Wij zitten nu nog midden in deze periode, al is er al heel wat tot stand gebracht. En deze periode is werkelijk een moeilijke, dit moet men niet onderschatten.

Het is dan ook geen wonder, als er soms eens iets hapert. Zo hebben we lang getobd voor de steenbakkerij bevredigend liep en men moet niet mopperen en de moed niet verliezen, omdat de houtzagerij nog niet volledig op gang is en de behoefte nog niet kan bevredigen. Maar dit komt! En evenmin is het wonder, dat niet steeds alle mensen in al hun verlangens bevredigd kunnen worden, dat niet alle verwachtingen kunnen worden vervuld. Het belang van het geheel gaat ten slotte voor dat van het individu. En dan wordt er wel eens door deze of gene gemopperd, maar daar mag men zich niets van aantrekken. Want we bouwen toch een gemeenschap op; wij zijn niet meer in Nederland, maar we stichten een kolonie in een nieuw en vreemd land. Dat is door de eeuwen heen overal gebeurd, maar wat zijn de offers, die wij brengen in vergelijking met vroegere kolonisten? Denken wij eens aan het pionierswerk van de Indië-vaarders, van Barends, van de oude Portugezen in Brazilië. Dat pionierswerk kostte vele, soms zeer vele mensenlevens, bloed, zweet en tranen, twist en onderlinge strijd. Onze moeilijkheden vallen daarmede volledig in het niet en toch bouwen wij ook een kolonie. Neen, wij hebben alle reden om dankbaar te zijn. Aan de andere kant hebben onze mensen, die hier werken en ploeteren en zich behelpen en natuurlijk ook tegenslag hebben te incasseren, het recht op alle waardering en steun, moreel en materieel, van alle weldenkende Nederlanders.

Wij hopen en vertrouwen, dat later ook van onze kolonie kan gezegd worden: Daar werd iets groots verricht!

Overschat Uzelf niet!

In augustus 1950, net op het moment dat op de Fazenda Ribeirão in opdracht van de Nederlandse regering een onderzoeksteam bezig was om de economische situatie van de jonge emigrantengemeenschap in kaart te brengen – hetgeen leidde tot een vernietigend rapport over de leiderscapaciteiten van Geert Heymeijer – verscheen in Nederland een themanummer van Ontginning, het maandblad voor de katholieke jonge boeren. De bedoeling was duidelijk: in Brazilië werd iets groots verricht en daarbij kon men gerust nog wat jonge kerels die konden aanpakken gebruikten. Daarnaast was het blad bedoeld om negatieve sentimenten, waaraan de emigranten in hun brieven naar het thuisfront uiting gaven, te weerspreken.

Ontginning 1950Illustratief voor het van bovenaf opgelegde positivisme om onderhuidse onlustgevoelens te neutraliseren is het artikel ‘Overschat Uzelf niet!’ van de geestelijk leider van de Fazenda Ribeirão, pater Godfried Sijen OPraem. Volgens Sijen hing de kans van slagen van emigranten vooral af van de sterke en gezonde geest. Hij herhaalde daarbij de woorden die Heymeijer tijdens de voorbereiding had gebruikt: ‘als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt.’ Ook hield hij de lezers voor om vertrouwen te houden in de leiding, ook al begreep men niet alles van het gevoerde beleid. Ook hield hij de emigranten voor doof te zijn voor stokerij en roddelpraatjes, die vriendschap verstoorde en die in een vreemde omgeving een nog betere voedingsbodem zou vinden. ‘Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren?’ Gezien de grote vertrouwenscrisis, die de jonge kolonie van 1951 tot en met 1953 totaal verscheurde, hadden deze wijze woorden een grote voorspellende kracht. Ook Sijen slaagde er niet in om de geest goed te houden. Op zondag 21 december 1952 kwam hij niet opdagen voor de H. Mis. Hij werd dood aangetroffen op zijn bed.

De man, die in Nederland rondloopt met het plan om te emigreren, heeft enige gelijkenis met de bestuurder op een legerwagen in de dagen der bevrijding. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor een kostbare vracht naar een onbekend land. In die dagen dan, toen de autocolonnes van de geallieerde bevrijders door ons land raasden, werden niet zonder reden langs de wegen speciale borden geplaatst, die waarschuwden tegen het gebruik van sterke drank. Een dronken chauffeur ziet niet goed de weg, die yóór hem ligt en is daarbij de beheersing kwijt over eigen hoofd en hand. Het gevaar bestaat, dat vele van onze boeren en tuinders, op zoek naar nieuw land in een nieuwe wereld, te werk gaan als in .een roes, gelijk aan die dronken chauffeurs. In één punt komen ze er in ieder geval mee overeen: ze zien de weg niet goed,.die voor hen ligt en ze kunnen die ook niet overzien .. Niemand in Nederland, die het niet heeft ondervonden, beseft ten volle wat dit is: emigreren. En ook kan iemand, die het zelf heeft meegemaakt, dit niet precies vertellen aan een ander. Dagelijks ontvangen wij en onze mensen brieven uit het vaderland met vragen om inlichtingen en raad. De beantwoording van die vragen kan de doorslag geven voor de levenskwestie:zal ook ik emigreren met mijn gezin of niet? Maar niemand onzer, die nu werkelijkheid ondervindt, durft het aan: te vertellen wat het is. De weg die de emigrant voor zich heeft, is niet duidelijk te beschrijven. En raad geven is zeer moeilijk en gevaarlijk. Het zal, als ge in het nieuwe land zijt, telkens anders zijn dan anderen U vertellen kunnen.

Zonder een goed beeld te krijgen van zijn toekomst, moet de emigrant zich toch een oordeel vormen; waarop een verstandig besluit kan volgen. En uit eigen ervaringen van nu en vroeger is het vanuit Nederland even onmogelijk om goed te oordelen. Ge kunt de weg niet overzien, die ge af zult moeten leggen. In dit punt lijkt ge dus op een chauffeur, die door het grote bord moet worden gewaarschuwd.

Maar de omstandigheden in Nederland brengen ook nog gevaar mee de beheersing te verliezen over eigen hoofd en hand, zoals de roes doet bij de dronkeman. De nood benevelt het verstandig oordeel en doet eigen krachten overschatten. Dit laatste misschien nog wel het meest. En als het zo is, wordt emigreren een uiterst gevaarlijke onderneming. Want de kans tot slagen bij emigratie hangt op de eerste en voornaamste plaats af van een gezonde en sterke geest. Wantrouw gerust de macht van uw handen, de degelijkheid van uw vakmanschap, de kracht van uw machines, wantrouw vooral ook de macht van uw kapitaal! Maar overtuig u van de adel en de sterkte van uw geest. Ir. Heymeyer heeft het destijds telkens weer herhaald op de bijeenkomsten in De Steeg: als wij slagen, zal dat zijn door de krachten van de geest, die ons bezielt. We beseften toen ook niet geheel wat dat betekende. Nu weten wij het en kunnen wij zijn woorden slechts herhalen voor degenen, die na ons komen willen.

Als ik nu trachten zal dit even nader voor u uit te werken, denk ik verder slechts aan emigratie naar dit onmetelijke land, Brazilië, met zijn ‑ zoals wij hier zeggen ‑ grote mogelijkheden en even grote onmogelijkheden. Elk land vraagt van de vreemdeling een eigen geesteskracht: de eenzaamheid van Canada, de jeugd van Australië, de tradities van Z. Afrika, Ribeirão in Brazilië vraagt van ieder onzer en van ieder die komen zal, een eigen geesteskracht en een eigen geestesadel.

Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)
Nossa Senhora da Floresta (Onze Lieve Vrouw van Den Bosch)

Aan niemand zal ‑ dat vertrouwen we ‑ die geest van Geloof en trouw aan God en Kerk ontbreken, die allen juist deze vorm van emigratie in groepsverband kiezen doet. Voor henzelf en voor hun kinderen achten zij die geestelijke waarden zo het best gewaarborgd, die ons dierbaar zijn vóór alle andere belangen. Voordat men dan het grote besluit neemt, is vóór alles wijs en voorzichtig beraad noodzakelijk. Daarbij moet ge goed bedenken, dat alle inlichtingen voor uzelf van zeer betrekkelijke waarde zijn, dat de toekomst anders zijn zal dan ge u in verbeelding voorstelt, anders het leven in de nieuwe gemeenschap, anders de kerk waarin ge bidden zult, de school ,waarin uw kinderen worden opgevoed, het kleine huis, waarin ge wonen zult, het voedsel dat ge eet, anders de gewoonten op het werk, met het vee en met het land, dat ge bebouwen zult. Vooral van de ouderen zal een aanpassingsvermogen worden gevraagd, dat op hun leeftijd meer dan normaal is. Onderzoek, wat de motieven zijn, die U uiteindelijk bewegen. Is het vooral de zorg voor uw geld, dat ge met zoveel vlijt gespaard hebt, blijf dan thuis. Zijn het vooral uw kinderen, waarvoor gij alles over hebt, bedenkt dan, dat dit offers vraagt, niet gedurende enkele dagen, maar gedurende enkele jaren, misschien heel uw verder leven: offers, die ge niet zelf kiest, maar die U worden opgedrongen en waarvan ge de zin niet altijd begrijpen zult. Overschat uzelf niet!Onderzoek, of ge bereid zijt mee te bouwen aan iets groots, dat verder reikt dan uw eigen belangen en die van uw gezin, want ook deze zijn uiteindelijk alleen gediend, wanneer ge standvastig mee wilt werken ‑ let op “werken” ‑ aan de opbouw van deze gemeenschap. Die gemeenschap moet sterk zijn, voordat ge eraan denken moogt zelf sterk te kunnen worden. Zult ge daarvoor afstand kunnen doen van uw zelfstandigheid, die aan uw boerenhart zo dierbaar is en die ge hier nooit zo verlangen kunt zoals. voorheen? Zult ge vertrouwen kunnen hebben in hen, die leiding geven, ook wanneer ge niet alles begrijpt in hun beleid? Zult ge geen smaad werpen op de goede naam van mensen, die niet denken en niet leven zoals gij? Zult gij hen niet verdenken verkeerd te zijn, terwijl ze slechts anders zijn dan gij ? Zult gij dan doof zijn voor stokerij, die vriendschap verstoort, voor de kleine roddelpraatjes, die ook onze dorpen in het vaderland zo ontsieren, maar die in een nieuwe vreemde omgeving nog een betere voedingsbodem vinden? Zult ge tien keer kunnen zwijgen, wanneer ge spreken wilt en als ge éénmaal spreekt, zal het dan altijd een wijs woord zijn, altijd verhelderend en verheffend? Hoe staat uw vrouw met deze eis. Zij heeft een grote rol te spelen en moet hier vooral de steun zijn voor uw geest. Maar zij zal zich eenzamer voelen dan gij en behoefte hebben om zich uit te praten. Zal ze het gebrek aan werkelijk nieuws niet vervangen door opgeblazen nieuwtjes of nieuws in haar verbeelding, waarvan andere mensen het slachtoffer worden ? Dan zoudt gij schuldig zijn aan wanbegrip en twist en afbreuk aan de liefde, die ook hier de band is onzer gemeenschap. Als ge werkelijk kritiek meent te hebben, zult ge die uiten op de juiste plaats en op de juiste toon? Zult ge ertegen kunnen als anderen u trachten mee te slepen in afbrekende kritiek en uw goede geest ‑ zij het onbedachtzaam en ongewild ‑ verstoren? Zullen dit ook de beproevingen niet doen, die langdurig zullen zijn ? Jarenlang zult ge u ook behelpen moeten metprimitieve middelen, terwijl ge in Nederland met vele dingen zo verwend zijt. Hebt ge aanleg tot droefheid en neerslachtigheid, waaraan ge te gronde kunt gaan, tot tobberij waarmee ge uw geestkracht verliezen kunt?

Als ge, na dit alles met zorg te hebben onderzocht, meent toch temoeten emigreren, laat dan uw besluitstandvastig zijn. Durf dan de konsekwenties aan van uw besluit, de konsekwenties, die ge kent en .die ge niet kent, maar die U hier verrassen zullen. Wees dan grootmoedig, begeesterd voor de grote taak, waaraan ge mee wilt werken, gewapend met vertrouwen en met geduld, sterk door verdraagzaamheid en door volharding.

Wanneer ik nu tenslotte nog uw begrijpelijke nieuwsgierigheid voldoen moet naar het antwoord op de vraag: hoe staat het in werkelijkheid met dit alles op Ribeirão, dan kan ik U geruststellen. En met u allen, die in Nederland wellicht verward zijn in geruchten en halve berichten. Een emigrant ‑ en zeker een boerenemigrant ‑ is nu eenmaal geen briefschrijver. En als hij behoefte heeft om zich te uiten, is hij als ieder mens geneigd om langer bij zijn moeilijkheden stil te staan dan bij zijn geluk. Hij drukt de bedoeling niet uit, waarmee hij schrijft, evenmin als hij de fantasieën zal beseffen, die hij kan oproepen bij de grage lezers. De geest op Ribeirão is goed! Maar die goede geest is bescheiden en niet spraakzaam; hij spreekt zich uit in het werk en in de prestaties, die hier in één jaar tijds verricht zijn. Hij spreekt vooral tot degenen, die ons jonge dorp hier persoonlijk bezoeken kunnen en vol bewondering weer vertrekken. Hij spreekt zich weinig ‑ te weinig ‑ uit in brieven naar Nederland. Al wat ge anders hebt gehoord, verdenk dat van eenzijdigheid of ondoordachte geruchtmakerij.

Alle dagen wat nieuws

Lange tijd was het schrijven van brieven voor emigranten het enige middel om het contact te onderhouden met de familie in Nederland. Voor het onderzoek naar de stemming onder de mensen die zich in de beginjaren in Holambra vestigden zijn deze brieven een onmisbare bron. Zij vormen een belangrijke correctie van het beeld dat de leiding van de nog jonge kolonie wilde uitdragen in Nederland. De bedoeling was duidelijk. Positieve verhalen waren een belangrijk propagandamiddel om nieuwe emigranten aan te kunnen trekken. Ook het publiceren van brieven in dag- en weekbladen had deze bedoeling. Een van de briefschrijvers was Jan Nabuurs uit Venray, die met zijn echtgenote behoorde tot de eerste grote groep emigranten die zich in Holambra vestigde. Op 7 mei 1949 publiceerde Boer en Tuinder de navolgende brief.

Fazenda Ribeirão, 13 februari 1949.

Geachte vrienden,

Gauw wil ik nog even U allen een briefje schrijven, dat ik in zal sluiten bij een brief van thuis. Wij zijn nu enkele weken in ons nieuwe vaderland en nu weten we nog niets, want het is een land waar alles en nog wat mogelijk is. Eén ding is zeker: als het niet veel slechter meer wordt willen wij niet meer naar Holland terug. Het is ons hier in grote trekken goed bevallen. Het is hier mooi en alle dagen zien wij weer wat nieuws. De ene dag goed, de andere dag minder goed.
Ik heb hier naast me liggen een kaart van de Fazenda en dan is het een uitgestrekt gebied met een groot bos en enkele kleinere bossen, wat riviertjes en wat zandwegen. Nu deze kaart zult U misschien ook al wel hebben gezien. Maar als we dan de werkelijkheid zien dan is dat weer heel anders. De Fazenda bestaat uit verschillende heuvels en als we tegen zo’n heuvel staan dan zien we niets dan een groot perceel vlak land met tegenover ons ook weer zo’n perceel van een andere heuvel en we worden niet gewaar dat het een heuvel is, alleen als we er tegen op of af moeten.
                Toen we dezer dagen een keer rondreden met de tractor en een vierwielige wagen er achter, vroeg Miltenburg ons, wat we van het land dacht toen we ongeveer op zo’n heuvel en eenparig was het antwoord “goed” en ook goed te bewerken, het is mooi gelijk. Toen we een uurtje gereden hadden vroeg er eentje, of die berg daar ook van de Fazenda was, want die zullen we toch wel niet goed kunnen bewerken. Het antwoord was: ‘Ja daar hebben we straks op gestaan en toen werd er door U beweerd het mooi en goed land was.’ Zo zien we hier dat het oog nogal bedriegt.

Het klimaat
Het klimaat is hier goed. De warmte is goed te dragen, al zijn wij niet in de warmste tijd hier geweest. Al is het zo warm dat we op de trekker de hand niet kunnen leggen van de zon, toch voelt men het nog niet zo erg. Als we zweten dat het water langs het lijf loopt, dan voelt men dit niet zo als in Nederland; maar ook onze huid verbranden doen we makkelijk en voor we het weten. Dit kan in 10 minuten gebeurd zijn.
                Wat de slangen aangaat, we hebben er al een hele boel opgeruimd ± 20, maar meestal met het ploegen. Ook wordt er zo nu en dan een gevangen, maar het gevaar is niet zo groot. Vliegen zijn er ongeveer als in Holland. Je wordt ze echter niet veel gewaar, wel van die kleine muggetjes, die kunnen nog wel eens vervelend zijn.
                Nu iets dat zeker van belang is. Wijst de emigranten maar goed op de volgende punten. Er is wel niet veel nodig, maar als ge een goed huis gewoon bent, dan valt het niet mee om in een slecht te gaan wonen. Dan, ze komen niet bij het Fazendahuis, wat het middelpunt is, maar tot op 5 km. afstand toe. Dit is ook wel niet zo erg, maar ze moeten er toch goed aan denken, want een buurpraatje houden gaat niet altijd en het is er altijd even stil en eenzaam, tenminste als ge een dorpsleven gewoon zijt.

Moeilijk voor de vrouwen
Dan vooral voor de vrouwen is het moeilijk, daar de man gewoonlijk de hele dag is op zijn werk. Ik zeg wel eens, we zijn nu wel getrouwd, maar we kunnen nog niet zoveel en zo rustig samen praten als in Holland in de verkeringstijd en toen zagen wel elkaar maar eens in de week. Dit moeten vooral de jongeren zoveel in de oren knopen. Nu zien we elkaar wel meer, maar als we thuis komen gaan we graag direct na het eten rusten.
                Dan, ge mist hier alle comfort en dit is wel gauw gezegd, maar denkt er maar eens goed over na, want als ge hier bent dan is het niet erg, als ge het maar eerst goed hebt overdacht, anders valt het heus niet mee, dat hoor ik wel van verschillende anderen.
                Dan het knecht zijn voor zelfstandige boeren dat is ook nogal moeilijk; het is zich neerleggen bij het besluit van een ander en het bewustzijn dat dit noodzakelijk is voor het algemeen belang. Het bewustzijn van het algemeen belang te dienen is bij enkelen ook zo dat ze denken dat dit goed is als het in hun kraam te pas komt. Over onze Limburgers zijn ze hier goed te spreken, laten we hopen dat dit zo zal blijven.
                Nu wil ik U allen nog eens bedanken voor de samenwerking die we hebben gehad en voor de medewerking die ik heb gehad om hier te komen. Vooral zou ik van hier uit nog bijzonder willen bedanken Vader Bisschop, waar wij ook veel te danken hebben. Ik hoop dat U deze brief in de beste gezondheid moogt ontvangen en teken met de vriendelijke groet aan U allen.
                Mag ik misschien ook nog eens iets van de gang van zaken horen?

J.A.M. Nabuurs, Campinas.

Vaarwel en tot weerziens

In het afgelopen decennium zijn in Nederland veel kranten gedigitaliseerd en op het internet verschenen. Naast de krantensite van de Koninklijke Bibliotheek hebben diverse regionale archiefinstellingen kranten op hun website geplaatst. Hoewel de zoekmogelijkheden en het gebruiksgemak sterk uiteenlopen, bieden deze websites de gelegenheid om in te zoomen op het vertrek van emigranten naar de Fazenda Ribeirão. Eén van de kranten die veel informatie bevat is het Venrayse weekblad Peel en Maas. Behalve algemene berichten die zijn overgenomen uit landelijke dag- en weekbladen komen we in het blad berichten tegen over het vertrek van emigranten.

P&M 1949-02-26In de editie van 26 februari 1949 werd gemeld dat Theo van Ass uit IJsselstein vanwege zijn vertrek naar Brazilië zijn pacht van zijn 22 hectare grote bedrijf ging opzeggen. In dezelfde krant bood hij ook vee en machines te koop aan. Enkele maanden later plaatste hij samen met Harrie Lamers een advertentie waarin zij hun familie, vrienden en kennissen een hartelijk vaarwel en weerziens toewensten.

P&M 1949-07-30
Peel en Maas, 30 juli 1949
P&M 1950-02-11
Peel en Maas, 11 februari 1950

Een jaar na Van Ass bood Wim Jeuken uit Overloon zijn boerderij in Peel en Maas te koop aan. Een half jaar later wist het blad te melden dat de familie Jeuken met 14 kinderen met de ms. Alioth naar Brazilië ging vertrekken.

Peel en Maas hield de achterblijvers met enige regelmaat op de hoogte van de ontwikkelingen op de Fazenda Riberão. Tegenover de interne moeilijkheden waarmee de jonge nederzetting van 1951 tot en met 1953 stond de krant opvallend neutraal. Zowel zij die het saneringsbeleid op de kolonie van harte ondersteunden, zoals Jan Nabuurs, als critici die de Fazenda verlieten, zoals Theo van Ass, kregen de gelegenheid om visie op de gang van zaken naar voren te brengen. Ook besteedde Peel en Maas aandacht aan het bezoek dat vier opa’s eind 1952 brachten aan hun kinderen in Brazilië. Over dit bezoek later meer.

N.B. Over enkele dagen vertrek ik voor enkele weken naar Brazilië. Wil je op de hoogte blijven kijk dan op mijn weblog en mijn fotosite.

Een nieuwe toekomst tegemoet

Twaalfhonderd Nederlanders naar Brazilië

Ook het weekblad de Katholieke Illustratie besteedde op 24 maart 1949 aandacht aan het vertrek van emigranten naar Holambra. Een verslaggever was aanwezig toen op 24 februari de Ms. Alphard vertrok met zes gezinnen en twee jonge echtparen en aanstaande bruid. Hij keerde twee weken later terug om ook Geert Heymeijer, pater Sijen en enkele zusters Kannunikessen van het H. Graf uitgeleide te doen.

De oudste van Van der Bruggen zeult met een flink pak naar de douaneloods. Vader, au, het touw snijdt zo door m’n vingers!… De zakelijke boer uit Hilvarenbeek kijkt zijn jongen even van terzijde aan: ‘Kerel, je zult nog wel eens wat anders te stouwen krijgen straks!’ Twee zinnen, terloops gewisseld – ze raken in al hun simpelheid precies de kern van het vele, dat er te vertellen valt over de grootscheepse emigratie naar Brazilië, opgezet door de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond.
                Negentien jaar was ingenieur, destijds nog student, J.G. Heymeijer, toen hij voor het eerst over emigratie schreef. Er zijn nog al wat jaren verstreken sedert die eerste pennevrucht, maar het probleem, na de oorlog urgenter geworden dan ooit, liet de landbouwkundige niet los en het beste bewijs, dat hij niet volstaat met een project op papier, maar hart heeft voor deze zaak, is zijn inschepen voor Brazilië op 11 maart jongstleden om zelf de leiding op zich te nemen van een Nederlandse boerengemeenschap nabij Campinas.
                Meen niet, dat hier verder het relaas volgt van landverhuizers – waarbij men denkt aan avonturiers – zoals er zo veel verhalen geschreven zijn. Nederland wordt te klein; het kan aan een deel van zijn boerenzonen geen toekomst meer bieden, dus: emigratie. Maar van hen die op eigen gelegenheid uitvliegen, slagen lang niet allen; als de omstandigheden niet erg gunstig zijn is de kans groot, dat de emigrant verloren raakt in het verre, vreemde land, waarin hij zich een gouden toekomst had gedroomd, en eindigt met ’n baantje, dat hij in eigen dorp of stad niet gauw geaccepteerd zou hebben.
                De R.K. Emigratiestichting overwoog dit alles en kwam tot de conclusie, dat verre te prefereren valt de mensen, die weg willen en moeten, in groepen te laten gaan: door de binding van godsdienst en nationaliteit kan dan in den vreemde een zelfstandige, eigen gemeenschap gevormd worden, die zich niet gemakkelijk onder de voet zal laten lopen. Een fris en mooi plan, doch niet eenvoudig om te verwezenlijken, want Frankrijk noch Canada, Australië noch Zuid-Afrika staan immigratie in groepsverband toe en zo viel dan, na een uitvoerig onderzoek van alle mogelijkheden en moeilijkheden, de keuze op vijfduizend hectaren practisch woeste grond in Brazilië, waarop een coöperatie, de “Holambra” is gesticht, die als er geen ernstige tegenslagen komen op de duur twaalf- tot vijftienhonderd Nederlanders zal omvatten.
                Ir. Heymeijer, die als chef van deze “kolonie” zal optreden is, zoals te begrijpen valt, van oordeel geweest, dat het vormen van een nieuwe gemeenschap een mislukking zou worden, wanneer hij niet kon bouwen op de mannen en vrouwen, die er deel van zullen uitmaken. Vandaar dat er bij de selectie van de vele, zeer vele gegadigden behalve op kennis van en liefde voor het vak, speciaal ook gelet is op geloofsovertuiging en burgerzin van de gegadigden. De gekozen gelukkigen – want zo voelen zij zich toch, ook al is het hart bezwaard om de scheiding van een vertrouwde om de scheiding van een vertrouwde omgeving en het onbekende van de toekomst – kunnen vanzelfsprekend met honderden tegelijk worden overgeplant naar een nederzetting, die niet alleen nog van alle accommodatie verstoken is, maar ook nog geen bestaan voor al deze mensen zou opleveren. Zo vertrekt er dus met tussenpozen van enige maanden een boot met tientallen emigranten naar Zuid-Amerika.
                We zijn een grote van deze boeren en tuinders, vol ondernemingszin, uitgeleide gaan doen aan de kade in Rotterdam. Maar het vertrek van een vrachtschip is altijd vol ongewisheden en zo werd het dan een langgerekt afscheid in de wachtkamers van ’s morgens elf tot laat in de middag. Daar heeft zich het gezin Eltink, zo goed en zo kwaad als het gaat met al dat kleine grut, geïnstalleerd: de Puck van twee en een halve turf hoog speelt met haar pop, het andere meiske is in slaap gevallen bij vader en nummer drie heeft voor de variatie haar schoen maar eens uitgetrokken. Maar moeder heeft bovenal zorg voor haar jongste, een baby van vorig jaar november, en als dit toneeltje ziet, dan is de vraag naar het “waarom” van deze emigratie snel beantwoord: het gaat om de toekomst van de kinderen. Nog sterker spreekt dit bij de familie Assinck uit Diessen met negen kinderen, onder wie vijf jongens; waar zouden deze boerenzoons, wanneer ze groot zijn, een eigen bedrijf moeten vinden? Neen, een buitenstaander mag het woord “onbezonnen avontuur” op de lippen liggen als hij over emigratie hoort, maar deze vader op leeftijd en zijn vrouw, het gezicht getekend door zorg, hebben zeker hun boerderij niet verkocht in een overmoedige bevlieging; aan deze dag van het vertrek zijn avonden voorafgegaan, waarop gepiekerd en gerekend is, tot eindelijk de moeilijke beslissing genomen werd van weg te gaan uit het dorp, waarvan men hield, naar een onbekend land, waar de eerste jaren heel wat geploeterd en gezwoegd zal moeten worden.
                In een andere hoek van de zaal heeft zich de jonge garde verzameld. Tussen solide kisten en koffers zit Jan van Vliet uit Oudewater, de alpino schuin op zijn scherpe kop en een paar juwelen van laarzen aan zijn benen; z’n jonge vrouw kijkt met hem lachend naar de toekomst, een tafereeltje, waaruit energie spreekt en de wil om van het leven in Brazilië iets goeds te maken. In het boerencentrum te De Steeg [Ons Erf] is bij de voorlichtingscursus niet onder stoelen of banken gestoken, dat de emigranten geen luilekkerland wacht, en van de Nederlanders, die al op de “Fazenda Ribeirao” werken, heeft men wel gehoord, dat er soms niet alleen overdag, maar ook ’s nachts geploegd moet worden, doch de jonge boer ziet er niet naar uit, dat hij zich gauw uit het veld zal laten slaan.
                En wie zou er niet lachen wanneer je als bruid van een aantal lentes, dat beslist niet hoog kan zijn, naar je man gaat, al zit hij dan in Zuid-Amerika? Mevrouw Palmen uit Weert is al een tijd voor de wet getrouwd; over een paar weken zal het huwelijk ook voor de Kerk worden gesloten in…. Brazilië, waar haar man reeds aan het werk getogen is.
                Optimisme, maar ook ongeveinsd verdriet ziet men bij het vertrek van het emigrantenschip. Als het uur van scheep gaan nadert balt zich het moeilijke afscheid nemen van alles, waaraan een mens gehecht kan zijn, samen in de laatste minuten. Het is duizendmaal gewikt en gewogen, maar nu gaat er méér in de harten om dan toen er handtekeningen moesten worden gezet op dozijnen formulieren: dit is dan de definitieve breuk met de grond, waarop men geboren en getogen is, het afscheid – voor de meesten voorgoed – van de ouders, die het nog steeds niet verwerken kunnen. Zakdoeken worden zenuwachtig fijngeknepen tussen de vingers en de opname van de fotograaf behoeft verder geen commentaar: moeder Van Roovert uit Middelbeers zal nog vaak, als het leven van alledag straks weer zijn loop heeft genomen, terugdenken aan deze laatste ogenblikken samen met dochter en kleinkind.
                Eigenlijk is nu de reis begonnen; de kinderen Assinck dringen met z’n negenen samen naar de douanetafel en vader presenteert bij de papierencontrole de beambten maar vast van zijn laatste Hollandse sigaren. Van der Bruggen moet bij de bagage-inspectie zijn aktentas laten doorzoeken, maar het meest achterdochtig is de douane toch tegenover het jonge bruidje – en de sjouwers van de loods zien grinnikend toe als de hele damestas ten binnenste buiten wordt gekeerd! Wat is er voor kinderen avontuurlijker dan een loopplank op te sjouwen, gevolgd door een voorzichtige afdaling, om tenslotte met z’n allen de wonderen van een hut te ontdekken! Het is er nauw, maar het is gezellig en het speelterrein in het ruim is groot genoeg.
                Lang duurt het voor alle vracht van de “Alphard” geladen is, maar de wachtenden op de kade zijn onvermoeibaar en als dan eindelijk tegen de mooie avondlucht het schip de Waterweg afglijdt, staan zij er nog en wuiven hun familie en vrienden het succes toe, dat eenieder hun gunt bij hun moedige onderneming op de “Fazenda Ribeirao”, waar zij platzak komen, doch door coöperatieve arbeid kunnen geraken tot het bezit van een eigen stuk grond.
                Enkele weken later staan we weer aan de kade, maar het gezelschap, dat nu vertrekt, is geheel anders samengesteld. Ir. Heymeijer zelf gaat, na reeds een paar maal voor korte tijd poolshoogte te hebben genomen bij Campinas, definitief scheep met echtgenote en drie kinderen naar Brazilië. Met hem vertrekken pater dr. Sijen O.P. en twee kannunikessen van het Heilig Graf uit Laag-Keppel. Want dit is het plan voor de Fazenda; er moet een volwaardige Nederlandse gemeenschap opgebouwd worden, waar de kinderen behoorlijk onderricht kunnen krijgen en een geestelijk leider de emigranten tot steun kan zijn. Kardinaal De Jong heeft persoonlijk op het Boerencentrum “Ons Erf” zijn zegen aan de vertrekkenden gegeven om het belang van deze unieke onderneming nog eens bijzonder te onderstrepen.
                Wij spreken met de zusters en horen, dat het zelfs in de bedoeling ligt mettertijd te komen tot de oprichting van een middelbare school; zij vinden het een mooie taak onder leiding van moeder Ancilla, die reeds in Brazilië is, aan deze grote zaak te mogen meebouwen. Wij spreken ook met mevrouw Heymeijer, die vol goede moed haar huishouden heeft opgebroken en zich opgewekt in de “wildernis” gaat vestigen, al was er voor haar dan wél uitzicht in het eigen land. ‘Maar, weet u, toen we trouwden zei mijn man al, dat het nog wel eens zo ver zou komen en dus ben ik er helemaal niet verslagen onder, hoewel het jammer is, dat we drie kinderen voor hun studie hier achter moeten laten…’ Neen, aan energie ontbreekt deze pioniersvrouw zeker niet; ze ziet een taak als moeder van dit dorp, waar haar man eigenlijk zoiets als burgemeester wordt en misschien wel meer dan dat.
                Er zullen talrijke landbouwtechnische moeilijkheden komen, er zullen huizen gebouwd moeten worden, grond ontgonnen en er zal handel gedreven moeten worden. Er bestaan grootse plannen voor een zuivelindustrie…
                En ir. Heymeijer en pater Sijen, wat zeggen zij hierover? Ze glimlachten nadenkend – mannen, die weten, dat hun een taak wacht, waarvan de omvang misschien nog maar half valt te overzien, en die er juist daarom zo graag aan zullen beginnen. Er zullen dagen komen, dat het leven de emigranten te zwaar lijkt en ze het uitzicht op het grote geheel dreigen te verliezen; dan hangt het van de bezieling der leiders af of de “Fazenda Ribeirao” toch een succes wordt. Dat ze een succes kan worden, daarvan zijn degenen, die dit eerste plan tot groepsemigratie hebben onderzocht en uitvoerbaar bevonden, overtuigd.
                Weer staan we aan de Rotterdamse kade en nog vele malen zouden we er kunnen staan als de Limburgers en Brabanders, vaders van grote gezinnen, uitvaren naar Brazilië. Het zal telkenmale hetzelfde zijn: een ploeg wordt ingeladen, wat vee gaat aarzelend aan boord en een vader zal tot z’n jongen zeggen: ‘Je zult nog wel wat meer te sjouwen krijgen…’ De jongen van het Nederlandse boerendorp zál sjouwen in Brazilië en zich een toekomst bouwen, die hij hier, ondanks hard werken, niet bereiken kan. Dit wensen we hem van harte.

 

“Wij zullen slagen”

Op vrijdag 4 maart 1949 werd op het boerencentrum ‘Ons Erf’ van de KNBTB afscheid genomen van emigranten die op het punt stonden om te vertrekken naar Brazilië en Canada. Hoofdgast op de bijeenkomst was kardinaal Johannes de Jong, die bij die gelegenheid aan hen missiekruizen uitreikte. ‘Emigreer onder Gods zegen voor Kruis en Ploeg’ stond op de achterzijde van deze kruizen geschreven. ‘Een staal van onze beste mensen, die ’n prachtig boerenideaal aan een vlammend missieideaal paren, maakte op De Steeg ’n onvergetelijke dag mee,’aldus het KNBTB-weekblad Boer en Tuinder van 12 maart 1949.

Toespraak van de kardinaal
In zijn toespraak stond mgr. De Jong allereerst stil bij het waarom van de emigratie. ‘Iedere tijd heeft zijn eigen problemen. Enige jaren vóór de oorlog heerste er een verschrikkelijke werkloosheid bij de jonge werkman, en hier in De Steeg werd het eerste jeugdwerklozenkamp gesticht om deze nood te lenigen.
Kardinaal de Jong                Thans na de oorlog doet zich in ons land een soortgelijke moeilijkheid voor bij jonge boeren en tuinders, die weliswaar nog wel werk hebben, maar zo uiterst moeilijk kunnen komen tot datgene waarvoor zij zich jaren lang bekwaamd hebben en waarnaar zij steeds weer zijn gaan verlangen: een gezin te stichten op eigen erf. Voor zover menselijke berekening van de toekomst mogelijk is, is het te verwachten dat dit probleem nog jaren lang zal blijven bestaan. Zodoende dat ook gevestigde boeren en tuinders met vooruitziende blik zich bezorgd maken over de toekomstmogelijkheden van hun kinderen. De overgang naar de industrie en andere beroepen is een der oplossingen van dit vraagstuk. Behalve dat dit echter voor sommige jonge boeren bijna onoverkomelijke moeilijkheden oplevert, is het een grote vraag of deze beroepen en industrieën zich in de toekomst zo sterk kunnen blijven uitbreiden, dat ze voor een plaats kunnen blijven bieden.

In het koetshuis van Rhederoord was van 1948 t/m 1951 de Volkshogeschool ‘Ons Erf’ van de KNBTB gevestigd. Veel aspirant-emigranten werden hier voorbereid op hun vertrek. Foto: Wikimedia

Alle mogelijkheden uitbuiten
Wijs beleid is het ook naar andere mogelijkheden o.a. de agrarisatie uit te zien. Al degenen in Nederland die dit enigszins kunnen, dienen te bevorderen dat door ontginning, inpoldering, juiste indeling en verdeling der gewonnen gronden de mogelijkheden die er liggen voor onze jonge boeren en tuinders binnen de grenzen van ons vaderland ook werkelijk worden uitgebuit. Een exploitatie van onze Nederlandse bodem die niet voldoende rekening houden met dit sociale probleem, zou te kort schieten t.a.v. de eisen die de sociale rechtvaardigheid en liefde stellen.
                De oplossing door emigratie is een feit geworden waarvan de realiteit het best tot ons doordringt, wanneer we ons bevinden te midden van een groep durvende mensen die hun vaderland vaarwel zeggen om voor een kroostrijk nageslacht tot in lengte van jaren ruimte te vinden. Ondanks alle moeilijkheden en gevaren aan deze stap verbonden, willen wij toch onze zegen daarover geven, mits de nodige maatregelen worden genomen om de gevaren te ondervangen. Evenals voor de jongens en meisjes uit onze boerenstand die zich als missionaris en missiezuster naar vreemde landen begeven, is ook voor emigranten voorbereiding op allerlei terrein, heel bijzonder ook op godsdienstig gebied, een eerste vereiste. (…)
                Betekent emigratie dan geen ontrouw aan het oude moederland, ons dierbaar Nederland? Neen, geliefde emigranten, ook heengaan kan goed zijn voor de achterblijvers. Daarbij denk ik niet uitsluitend aan het feit dat uw heengaan een bijdrage betekent aan de oplossing van het jonge boerenprobleem. Juist wanneer uw komst in het nieuwe land ook een zegen betekent voor dit land is het mogelijk, dat emigratie gaat uitgroeien tot een beter begrip tussen de volkeren der wereldgemeenschap.’

Wij zullen slagen
Tijdens de emigratiedag op ‘Ons Erf’ richtte kardinaal zich speciaal tot ir. J.G. Heymeijer: ‘Zeer groot respect en bewondering heb ik voor uw initiatief, ir. Heymeijer, en ik waardeer het bijzonder dat U nu zelf op 11 maart vanuit Rotterdam naar de kolonie in Brazilië vertrekt. Ik hoop dat God U, uw familie en de emigranten rijkelijk zal zegenen’.
                Heymeijer antwoordde hierop: ‘Ik dank U eminentie voor deze woorden, die me niet alleen ’n extra steun geven maar nog meer moet om ’t werk in Brazilië aan te pakken. Deze onderneming heeft als basis en krachtbron het gezegende kruis. Om dit kruis te vinden moet de emigrant over ’n kleine Calvarieberg.
Heymeijer en kardinaal                Wij jachten niet naar goud en roem, ons enig doel is de toekomst van onze kinderen niet materieel maar godsdienstig te verzekeren. De fabriek blijft ’n gevaarlijk terrein en wij willen onze kinderen in een geest opvoeden zoals wij zelf opgevoed zijn. Soms is onze vrees voor deze emigratie groter dan nodig. Wij kunnen er niets aan doen dat wij weg moeten, Nederland is te klein en wij worden eruit geperst. Maar wij namen voor deze zo belangrijke stap de uiterste voorzorgen en is ’t dan niet doodeenvoudig, dat Onze Lieve Heer voor de rest zorgt? De Brazilië-emigratie stellen wij op een volkomen religieus plan. Wij zullen werken, gelukkig zijn en onze kinderen degelijk opvoeden. Daarom werd ondanks alle moeilijkheden, gevaren en risico’s, steeds doorgezet. Daarbij bleef de overtuiging dat wij Gods hulp hebben herhaaldelijk mochten wij dit in concrete en sprekende voorvallen ondervinden. Mits allen overtuigd zijn, dat de basis waarop wij gaan ’n godsdienstige basis is, zullen we slagen en in Brazilië iets groots en moois bouwen.’

Nieuws uit de Hollandse nederzetting in Brazilië

In augustus 1949 schreef pater Hilarion Remmerswaal O.Carm. (1916-1984) vanuit Rio de Janeiro een brief aan het Nederlandse weekblad De Linie, waarin hij zijn indrukken weergaf van het leven en werken van de pioniers op de Fazenda Ribeirão. Dit stuk werd op 24 september 1949 ook gepubliceerd in het Venrayse weekblad Peel en Maas. Hij doet verslag van een bliksembezoek van Geert Heymeijer aan Brazilië in januari van dat jaar, met als doel de laatste moeilijkheden rond de aankoop van de fazenda uit de weg te ruimen.

Een telefoon rinkelde ergens in Den Haag. Ingenieur Heymeijer nam de hoorn van de haak en zei droog: ‘Met Heymeijer’. Dan spalkten zijn ogen zich wijd open, terwijl zijn voorhoofd tot een smal strookje rimpelvel optrok, want van de andere kant klonk het: ‘Hier is telefoon voor U uit São Paulo, Brazilië’. Het gesprek was in ’t kort ongeveer aldus: ‘Er zijn moeilijkheden gerezen met ons contract. Kunt U niet even overkomen?’ Antwoord: ‘O.K.’ Das was op Driekoningen, donderdag 6 jan. 1949.
                Zaterdag 8 januari, toen vier dreunende motoren van een Constellation van de K.L.M. de lucht introkken boven Schiphol, keek Heymeijer peinzend door het raampje naar het kleine Holland, dat steeds maar kleiner werd voor zijn inwoners en hij streek over zijn gelaat: ‘’t Moet! Hier kan het niet langer; geen land meer voor de boeren…’
                Dan sprongen zijn gedachten naar het eindpunt van de reis: Brazilië, Fazenda Ribeirão. Hij zag ze voor zich liggen. Vijfduizend hectaren, die hij uitgezocht had voor zijn boeren, heet en gloeiend in de tropenzon, heuvelachtig, hier en daar bedekt door bos, maar grotendeels begroeid met taai, manshoog, wild gewas of met grassoorten, waar een Hollandse koe de neus voor op zou halen. Het contract van aankoop moest doorgaan, koste wat kost. Hij keek weer naar beneden en werd ongeduldig, omdat vanuit de hoogte gezien alles zo traag voorbij schoof. De motoren zongen nu kalm en eentonig, als zeiden zij: ‘Kalm, kalm! Die tienduizend kilometer werken we snel genoeg af..’

Twee dagen later…
Zondag 9 januari werd Heymeijer opgezogen in de miljoenenmassa, die op het hete middaguur door ’s werelds schoonste stad krioelt – Rio de Janeiro. Maandag maakte hij per vliegtuig de 500

Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim
Het onherbergzame gebied tussen de Fazenda Riberião en de doorgaande weg Campinas-Mogi Mirim

km-sprong naar São Paulo en vandaar per auto de laatste 150 km naar de Fazenda Ribeirão. De eerste 70 km over gloednieuwe betonweg, doch dan begon hij in de sfeer te komen: stof, stof en nog eens stof. Machteloos waren de koplampen tegen de ondringbare wolken, die vóór hem rijdende wagens opjoegen. Als hij over een bestraat gedeelte reed, door de weinige plaatsen die aan de weg lagen, dan gingen snel even de ramen open om wat lucht te happen.
                Dan, twee dagen na zijn vertrek uit Den Haag, doemde een paar zeer zwakke lichtjes op uit de duisternis: de Fazenda! Een jeep begon te werken met z’n schijnwerper als wilde hij de weg aanwijzen. Daarboven, rechts en links volslagen duisternis. Kort daarop de opwinding van een onverwacht weerzien en Heymeijer stond tegenover de eerste drie durvers, die alvast begonnen waren met de voorbereidende maatregelen voor de vestiging van de kolonie der Nederlandse Katholieke Boeren.
                Diezelfde avond begonnen de besprekingen, niet in een deftige zaal, maar op een veranda van een verwaarloosd landhuis, zwak verlicht door op de tafel geplakte vetkaarsen, in wier flikkerende schijn weelderige goudenregen en de rode bloemen van metershoge cacteeën een romantische achtergrond vormden.

Vervallen oase…
De moeilijkheden, die het contract in de weg stonden, werden die week nog opgelost. Maar er waren nog andere obstakels. Er was letterlijk niets op de Fazenda, die tot dan toe gediend had als fokkerij van slachtvee voor een grote exportslagerij. Dat “fokken” bestond alleen in het vee bij duizenden bijeendrijven, het daar aan zijn lot over te laten en er zo nu en dan een honderd op te halen voor de grote abattoirs van São Paulo. Er was geen stroom. Er was één tamelijk fatsoenlijk huis en er waren 31 vervallen hutten, waarin de cowboys en hun families gehuisd hadden. Daar moesten zich nu 200 Hollandse boerenfamilies vestigen.
                De pioniers klommen met hun vieren in een jeep om een beetje rond te dwalen op die 5000 hectaren van bijna woeste grond. ’s Was gloeiend heet. Weg jasje, weg das, weg met dat boord. Ongeveer 5 km van huis werden ze overvallen door een tropische regenbui. Binnen enkele seconden zaten hun kleren drijfnat op hun lijf geplakt. Wat een land… Maar het buitje dreef over en voordat ze thuis kwamen, waren shirts en broeken alweer kurkdroog, gestoofd door de tropenzon.

Symbool
Zaterdag 15 januari vertok Heymeijer weer naar Rio, waar hij tegen de avond aankwam. De Constellation zou pas tegen de middernacht vertrekken. Hij had dus nog een paar uur en zocht wat rust in een wandeling door de stad. Het was midzomer. Temperatuur overdag 35° Celsius in de schaduw. De nacht bracht gelukkig enige verkoeling, hetgeen de mensen naar buiten lokte. Terwijl

Avenida Getúlio Vargas, Rio de Janeiro

hij zo over Rio’s grootste boulevard slenterde, de Avenida Getulio Vargas, zag hij zich plotseling midden in een menigte zingende en dansende negers. Tegen wil en dank voelde hij zich gegrepen door het ritme van een Afrikaanse dans, dat die bezwete, zwarte lijven heen en weer deed schokken, terwijl zij eentonig gezang met langgerekte kreten uit hun schorre kelen stootten. En terwijl hij zo toekeek, zag hij niet meer de moderne blanke wolkenkrabbers als achtergrond, maar een Afrikaanse jungle – niet meer de shorts en kapotte hemden der negers, maar weelderige vederbossen en kraalversiersels.
                Dan zag hij de slavenjagers, die hen wegsleurden uit hun nederzettingen – de schepen van Europa’s meest beschaafde volkeren, Holland niet uitgezonderd, waarop zij als vee naar de nieuwe wereld werden gesleept – de slavenmarkten van Rio van waaruit zij verdeeld werden over geheel Brazilië. En nu dansten ze hier op het onmetelijke trottoir van een onmetelijke Avenida in een miljoenenstad, half natuurkinderen nog, half geretoucheerd door de Westerse beschaving, met hun handen de slaginstrumenten bekloppend, en zingend.
                Hij voelde bijna tastbaar, hoe dit nieuwe land kreunde en kraakte in zijn sociale en economische ontwikkeling, nauwelijks honderd jaar geleden van uitgebuite kolonie tot zelfstandige staat geworden. Hij huiverde om de ontzaglijke moeilijkheden, die Brazilië’s vooruitgang belemmerden, maar hij zag ook de mogelijkheden van dit gigantenland, een de plaats, die zijn boeren in deze titanenstrijd zouden kunnen innemen.
                Toen hij enige uren later de zee van licht onder zich zag verzinken, was hij zich bewust, dat hij een nieuwe kijk had gekregen op Brazilië. Brazilië bezat veel, dat we in Holland gelukkig niet hebeen, maar ook ontzettend veel dat wij Nederlanders als zwaar gemis aanvoelen. Brazilië geeft je de kans, om strijdend de plaats te veroveren, die nobel idealisme je hartstochtelijk doet begeren. Nederland is als een theater, waar de plaatsen reeds te voren genummerd en uitgedeeld zijn.
                In luttele uren gleden de 10.000 km onder hem voorbij, met het Braziliaanse kustgebergte, de Oceaansprong van Recife naar Dakar, Noord-Afrika, het Iberisch schiereiland. Maandagmorgen 22 januari, nog geen twee weken na zijn vertrek, was hij weer in een eigen huis op stelten, want als een bom vielen zijn woorden: ‘Vrouw, wij gaan ook. Dáár ligt onze levenstaak. Dáár moeten we vechten om de boerenemigratie tot een succes te doen uitgroeien.’ Twee maanden later vertrok hij definitief met vrouw en kinderen.

Paupiek
Ber Souren en zijn vrouw voor hun van gevlochten takken en met leem besmeerde woning, de z.g. pau-a-pique

Nieuwe wereld
Zeven maanden na bovenvermeld telefoontje vergezelde schrijver dezes vier nieuwe emigranten van Santos naar de Fazenda. Welk een metamorfose! Daar, waar in januari nog niets was, ratelde nu een enorme machine bij het plukken van 120 ha. mais; 80 ha. tarwe stond zacht op teergroene stengels te wiegelen, als fluisterden ze: ‘Sjonge, sjonge, hoe is het mogelijk!’ 30 ha. aardappelen en 25 ha. lupinen hadden de plaats ingenomen van het metershoge onkruid, waar een tractor bijna in vast raakte; 300 ha. waren reeds geploegd en nog 700 andere zouden klaarkomen voor de zaaitijd in december-januari.
                Dag en nacht dreunde een bulldozer met ploeg over de velden, onder laaiende zon of onder het schokkende licht van een schijnwerper, die op de machines bevestigd zat. De ganse dag zongen de electrische zagen hun scheurend lied in de timmerfabriek, klonk het gehamer in de smederij, waar steekvlammen groen en wit op het ijzer uiteenspatten. Vanaf een kale hoogte stond een gloednieuwe benzinepomp trots naar meer dan 300 koeien te staren.
                Er was een kapel met een prachtige muurschildering van de kapelaan der nederzetting. Stille, vriendelijke zusters liepen bedrijvig heen en weer. Tien gloednieuwe huizen van baksteen nodigden uit om binnen te komen; 46 anderen, in aanbouw, stonden al een dikke meter hoog en zouden binnen drie maanden klaar zijn; 31 leemhutten waren opgeknapt met een nieuwe cementvloeren en wat pleisterwerk, om als voorlopige woningen te dienen.
                En te midden van dat alles gingen de boeren hun weg, boeren uit alle streken van Nederland, mannen in de bloei hunner jaren en heel jonge kerels, bijna kinderen nog. Van kinderen gesproken: het was een genot, al die dialecten dooreen te horen als je stond te kijken bij de jongens, die aan het ravotten waren en bij de meisjes, die hier natuurlijk ook touwtje sprongen.
                En de geest, die daar heerste! Opbruisend van levensmoed en durf. Kerels, die zich door het zware pionierswerk niet lieten neerslaan, die spontaan de moed er weer in pompten, als de een of ander de kop liet hangen.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (2)

Tragiek van een te klein moederland

‘Van hen wil ik geen steuntrekkers maken,’ zei boer Sanders, wijzend naar zijn drie oudste spierwitte kinderen, die heel Diessen, voor zover nog niet wakker, op stelten zetten, toen ze de bus in moesten. ‘Ik heb geen grond voor ze, wanneer ze groot worden…En naar de fabriek sturen, doe ik ze ook niet. We hebben geen ruimte meer. Bovendien komen er mij teveel vreemden op m’n erf, hier in Nederland, en iedereen steekt tegenwoordig maar z’n neus in je bedrijf…Nou, en daarom ga ik met mijn vrouw en vier kinderen naar Ribeirao…’

Sanders
Mevrouw Sanders-Versteden met Marietje, Tonia en Theodorus op de loopplank van de Algenib

Zaterdag zijn ze dan eindelijk vertrokken. Voor dag en dauw de bus in, die hen via Den Bosch naar Antwerpen brengen zou. Het was voor deze Oost-Brabantse en Noord-Limburgse gezinnen de dag van hun leven. De meeste emigranten waren gewone, vrij gegoede boerenmensen; enkel andere landverhuizers gingen mee als vaklui voor de nieuwe kolonie, terwijl een der weinige Hollanders bij deze groep zijn bekwaamheid als bosbouwkundig ingenieur in dienst van de Nederlandse gemeenschap te Ribeirao zal gaan stellen. De emigratie naar Brazilië, onder auspiciën van de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond verschilt van de andere emigratie hierin dat Brazilië kolonievorming toestaat en bovendien door credieten de emigranten op betrekkelijk belangrijke wijze in de aanvangskosten tegemoet komt.

Al deze Nederlanders keerden voorgoed op deze zaterdag hun smalle akkers in het moederland de rug toe. Het was dezelfde smalle grond, welke hen generaties lang had gevoed, welke steeds weer op een nieuwe generatie van vlijtige, sober levende boeren was overgegaan. Thans was deze grond…te klein geworden. Niet zozeer voor hen zelf, alswel voor hun kinderen. In deze groep was er slechts één, die emigreerde uit angst voor de Russen. Alle anderen zagen er voor hun kinderen geen gat meer in, waren zelf momenteel in vrij goede doen. Zij hadden alle schepen achter zich verbrand en op die zaterdagmorgen stonden zij voor het laatst in hun leeggeruimde woonkamer, liepen voor het laatst over de eigen vertrouwde grond waar hun vader en diens vader, waar geslachten vóór hen het brood voor zich en de hunnen hadden verdiend, en namen afscheid van alle bekenden in deze kleine vertrouwde dorpen.

Dat dit een zwaar uur was, bewezen wel de ogen van moeder Sanders, die met haar kleinste dochtertje op de arm (tien maanden oud) de bus binnen kwam en de andere drie, vlasblonde hummels (luidkeels huilend) met een paar sussende woorden op hun gemak probeerde weg te stellen. Zij waren nooit uit Brabant weggeweest, boer Sanders had vijftien bunder land, maar voor deze vier kinderen, het oudste vier jaar, zag hij in dit land geen toekomst meer.

En daar was de familie Theunissen uit Diessen: één zoon, en drie Brabantse “blommen” van dochters, die hun hart ondanks hun twintig lentes of meer, om de drommel nog niet aan de “new look” hadden verpand. Een van de drie dochters had nog nooit in de trein gezeten, kreeg er vlak voor haar vertrek de kans voor, zou dan tegelijk voor het eerst (en ’t laatst) van haar leven Amsterdam en Den Haag kunnen zien, en zei: ‘Och, denkt U dat ik daar zoveel wijzer van zou worden?’ Een goed, degelijk slag volk, en boer Theunissen, met 59 jaar, twee boerderijen achter latend – ‘ze doen ‘t nie van erremoej!’ – was de oudste emigrant. Toen iedereen dan in de bus zat en buiten in de eerste schemer de achterblijvende boeren onder hun stijve Brabantse petten bedachtzaam en niet begrijpend het hoofd hadden geschud over zoveel “Braziliaans onverstand”, kwam burgemeester Van Wijnhoven nog persoonlijk alle mensen de hand schudden: ‘Als ’t jullie niet bevalt, kom dan maar terug naar Diessen; we zullen jullie weer met open armen ontvangen’. En daarna kwam “Sjaak-van-Kees-Ome” (weet U wel) nog efkes, en zei: ‘Ge loat nog mar iets van oe heure, en ge èt de groete nog van de smid’, waarna Theunissen nog even het raampje opschoof en tegen de bakker riep, dat ie zijn laatste broodjes voor hem gebakken had. Het waren er overigens zóveel, dat de hele bus met wegbrengers er op de terugweg ruimschoots van gevoed werd!

In Den Bosch was nog een laatste H. Mis op Nederlandse bodem. Een goed, degelijk volk, dat daar, aan de voeten van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, afscheid kwam nemen en de zegen afsmeekte over zijn nieuwe ontzaglijke levenstaak. Van het nieuwe land hunner toekomst hadden ze alleen maar een film gezien, en na het gemeenschappelijk ontbijt, raakte Sanders al in de wereldstad Den Bosch zijn vrouw met de spruiten kwijt, en beloofde dood-zenuwachtig zijn laatste Nederlandse rijksdaalder aan St. Anthonius.

In de namiddag begon aan de Statiekade in Antwerpen – haast niemand nog had al een boot van zo dichtbij gezien – de inscheping. Ze werden er allemaal een beetje zenuwachtig van toen ze de steile loopplank naar de Rotterdamse “Algenib” opklommen, en het nieuwe leven zond reeds een overrompelende voorproef toen er even later sloepenrol gehouden werd. Maar men bleef welgemoed en een van hen zei: ‘’t Is de wereld nie uit, mar ge moet nie achterom kijke…’ Laat in de nacht verdween de kust van Walcheren achter een mistige gure winterhorizon en verloor Nederland – het waren niet de eersten, het zullen ook de laatsten niet zijn – wèèr een aantal van zijn beste en moedigste mensen.

Een stuk van zijn sterke, degelijke kern brokkelde af, ging in een ver en nieuw land waar ruimte was, een nieuwe toekomst opbouwen. Hun energieke voortrekker, de sympathieke “emigrantenvader” ir. G.J. Heymeijer, drukte hun onder doodse stilte op het hart, om ‘hard te zijn voor zichzelf, en hart te hebben voor hun medekolonisten…’ Waarna huntoekomstige Norbertijner-Pastoor, pater dr. Sijen, nog over het apostolaat sprak, als zij als Nederlandse katholieke gemeenschap te vervullen hadden, en tenslotte het ontroerende reisgebed bad…. ‘God, onze Zaligmaker, geef ons een voorspoedige reis; toon ons Heer, Uw wegen…’ In Ribeirao hopen in de toekomst meer dan tweehonderd Nederlandse gezinnen een nieuw bestaan te vinden.

De Maasbode, 20 december 1948.

Eerste emigrantengezinnen naar Brazilië (I)

Nadat enkele pioniers al vooruit waren gegaan, kwam op zondag 19 december 1948 de emigratie naar Holambra echt op gang. Op die dag vertrok vanuit Antwerpen de ms. Algenib. Volgens Boer en Tuinder begonnen de machines van het schip in het eerste uur van die morgen aan de Statiekade aan hun ritmisch gestamp. ‘De schroeven bruisten door het Scheldewater en langzaam schoof de boot in de duisternis de haven uit. In de ruimen sliep ’n kostbare lading. De eerste groep emigranten voor de Fazenda Ribeirão in Brazilië. Ruim drie weken zijn deze 32 emigranten, manen en vrouwen, vrijgezellen en kinderen onderweg naar de haven Santos. In het heetst van de Braziliaanse zomer zullen zij op de eerste kolonie van katholieke Nederlandse boeren in Brazilië aankomen en direct met de arbeid beginnen.’

Afscheid emigranten Den BoschHet vertrek begon een dag eerder met een door de toekomstige pastoor van de kolonie, Godfried Sijen OPraem opgedragen H. Mis in de Mariakapel van de St. Janskathedraal in Den Bosch, ten einde Gods zegen af te smeken over de onderneming. Bij het afscheid waren ook aanwezig de voorzitter en de secretaris van de Emigratiestichting van de KNBTB Gerard Kampschoër en Ruud Roborgh, alsmede Geert Heymeijer en zijn echtgenote.

De groep voortrekkers bestond uit Herman Theunissen, landbouwer uit Diessen, met echtgenote en vier kinderen, Jan van de Ven, automonteur uit Tilburg, Henk Klein Gunnewiek, landbouwer uit Hilvarenbeek, Wim Stapelbroek, landbouwer uit Diessen, Theo Borst, timmerman uit Zevenaar, W.J.J. Mulder, bosbouwkundig ingenieur uit ’s-Gravenhage, J.M.H. Hendriks, timmerman uit Nunhem met echtgenote en 4 kinderen, Jan Nabuurs, landbouwer uit Venray met echtgenote, Thomas Sanders, landbouwer uit Reusel met echtgenote en 4 kinderen, Piet Wagemaker, veehouder uit Haarlem, met echtgenote en 4 kinderen en tenslotte Frans van Riel, landbouwer uit Diessen.

Aan het vertrek van deze eerste grote groep emigranten naar Brazilië werd in de katholieke pers de nodige aandacht besteed. Op maandag 20 december 1948 publiceerde de het dagblad De Maasbode een uitgebreide reportage over deze gebeurtenis. Hierover een volgende keer meer.

Bron: Boer en Tuinder, 24 december 1948. Foto: Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen